Veelgestelde vragen
Luchtverontreiniging en verzuring
- Wat is luchtverontreiniging?
- Wat is verzuring?
- Wat is potentieel zuur?
- Wat is vermesting?
- Wat zijn de effecten van grootschalige luchtverontreiniging?
- Wat zijn de effecten van verzuring en vermesting?
- Wat zijn de belangrijkste bronnen van grootschalige luchtverontreiniging en verzurende stoffen?
- Waarom zijn grootschalige luchtverontreiniging en verzuring één beleidsthema?
- Welke maatregelen zijn er genomen?
- Waarom zijn de bossen niet dood?
Wat is luchtverontreiniging?
Sommige vormen van luchtverontreiniging kunnen dagen - en soms zelfs nog langer - in de atmosfeer verblijven. In een dergelijke tijd kan deze luchtverontreiniging afstanden van duizenden kilometers afleggen. Daarom wordt in dit geval ook wel gesproken van grootschalige of grensoverschrijdende luchtverontreiniging. Stoffen die onder grootschalige luchtverontreiniging vallen zijn zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx, de verzamelnaam van stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2)) en stofvormige luchtverontreiniging. Tot het laatste behoren onder andere fijn stof, zware metalen, persistente organische stoffen (Persistent Organic Pollutants, POP) en Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK).
Beleidsmatig worden naast de hierboven genoemde stoffen ook vluchtige organische stoffen (VOC), ammoniak (NH3) en ozon (O3) ook hiertoe gerekend. Dit komt, omdat deze stoffen eveneens betrokken zijn bij het atmosferisch-chemische gedrag van de andere stoffen.
Wat is verzuring?
Verzuring is het zuurder worden van het milieu door atmosferische (verzurende) depositie. De aanwezigheid van verzurende stoffen in de atmosfeer is het gevolg van emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx, de verzamelnaam van stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2)) en ammoniak (NH3). Deze stoffen hebben deels zelf verzurende eigenschappen. Ook worden zij in de lucht omgezet en reageren zij met elkaar tot andere verzurende stoffen. Droge en natte depositie zijn de processen die ertoe kunnen bijdragen dat stoffen uit de atmosfeer verwijderd worden. Droge depositie is het directe transport vanuit de atmosfeer naar bodem, vegetatie of water. Natte depositie gebeurt door neerslag. Beide processen leiden tot transport van verzurende stoffen naar het aardoppervlak: de verzurende of zure depositie.
Meer informatie
Wat is potentieel zuur?
De mate van verzuring wordt in Nederland uitgedrukt in zogenoemd potentieel zuur. Potentieel zuur is gedefinieerd als de maximale verzuring, die zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak en hun omzettingsproducten in bodem en water teweeg kunnen brengen. De daadwerkelijke verzuring in bodem en water kan lager zijn. Deze hangt af van een aantal processen en van de opname van de stoffen door planten.
Het vermogen van een stof om verzurend te werken, wordt meestal uitgedrukt in zuurequivalenten per hectare (z-eq/ha). Een zuurequivalent is een maat voor de hoeveelheid zuur (H+ in mol/ha) die kan ontstaan in bodem of water. Hierbij geldt: 1 mol zwaveldioxide levert 2 mol zuur, 1 mol stikstofoxiden levert 1 mol zuur en 1 mol ammoniak levert 1 mol zuur.
Er is soms verwarring over de verzurende werking van ammoniak. In de atmosfeer werkt ammoniak zuurneutraliserend. Komt ammoniak (of het omzettingsproduct ammonium) echter in de bodem dan kan het omgezet worden in salpeterzuur. Er is dan alsnog een verzurend effect.
Wat is vermesting?
Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen met stikstof (en fosfor). Dit gebeurt voornamelijk via het op het land brengen van dierlijke mest en kunstmest. Deze 'verrijking' kan leiden tot nadelige effecten voor ecosystemen en volksgezondheid. Stikstof (en fosfor) worden vooral door de landbouw en de rioolwaterzuiveringsinstallaties in het milieu gebracht.
De groei in veel natuurlijke ecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van meerdere andere. Hierdoor neemt de biodiversiteit af. Vergrassing van heide en bossen en het oprukken van bramen en brandnetels zijn herkenbare voorbeelden van de gevolgen van vermesting.
De stikstof (en fosfor) die als meststof op het land wordt gebracht, kan in het oppervlaktewater terecht komen. Ook hier kan de samenstelling van de vegetatie door deze ‘verrijking’ veranderen. De natuurlijke ecosystemen in het water worden vooral door de afspoeling van fosfor bedreigd.
Ook in de Noordzee treedt vermesting op. Sinds 1980 verbetert de situatie. De aanvoer van fosfor is echter sterker afgenomen dan die van stikstof. Daardoor is de verhouding stikstof ten opzichte van fosfor in het naar zee afgevoerde water hoger geworden. Dit heeft een ongunstig effect op de soortensamenstelling van het fytoplankton (algen). Ook neemt hierdoor de kans op bloei van giftige algensoorten toe. Atmosferische depositie draagt in de kustzone relatief weinig bij aan de belasting met vermestende stoffen. Verder op zee wordt de atmosferische depositie van stikstof wel belangrijk.
Wat zijn de effecten van grootschalige luchtverontreiniging?
Grootschalige luchtverontreiniging is vooral een luchtkwaliteitsprobleem. Dit betekent dat stoffen die eraan bijdragen, soms in ongewenst hoge concentraties kunnen voorkomen. Dit kan leiden tot gezondheidseffecten. Dit geldt vooral voor ozon (O3) en fijn stof (PM10). Daarnaast is er nog stikstofdioxide (NO2). Deze stof is zelf bij de huidige concentraties in de buitenlucht niet zo schadelijk, maar wordt gebruikt als indicator voor verkeersgerelateerde luchtverontreiniging. Dit laatste wordt wel als schadelijk beschouwd.
De meer klassieke luchtverontreiniging, zoals zwaveldioxide (SO2) en koolmonoxide (CO), vormt in Nederland al lang geen probleem meer. De luchtconcentraties ervan zijn de afgelopen decennia drastisch afgenomen. Zwaveldioxide draagt wel nog in belangrijke mate bij aan de vorming van fijn stof.
Wat zijn de effecten van verzuring en vermesting?
Overmatige depositie van zuur leidt tot een verandering van de soortensamenstelling in vegetaties en tot een achteruitgang van de biodiversiteit. De ecologische effecten van vermesting door stikstof zijn echter belangrijker geworden dan de verzurende effecten van zwavel en stikstof. Veel natuurlijke ecosystemen zijn stikstofgelimiteerd. Het gevolg is dat extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Meestal neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van meerdere andere, zodat de biodiversiteit afneemt. Aquatische ecosystemen zijn vaak fosfor gelimiteerd en is fosforverrijking de oorzaak van biodiversiteitsverlies. Vergrassing van heide en bossen, kroos- en algenbloei zijn herkenbare voorbeelden van de gevolgen van vermesting.
Nederland heeft zich verplicht de biodiversiteit van daartoe aangewezen natuurgebieden te handhaven (Natura 2000, Vogel en Habitatrichtlijn, VHR). De stikstofdepositie zal voorlopig een van de belangrijkste beperkende factoren voor biodiversiteit in Nederland blijven. Het beleid richt zich daarom op het terugdringen van de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden. Naast de overmatige stikstofbelasting vormen ook verdroging, klimaatverandering, versnippering en de schaalvergroting in de landbouw een bedreiging voor de biodiversiteit.
De effecten van verzurende stoffen zijn overigens niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt. Vermesting wordt tegenwoordig als een groter probleem gezien dan verzuring.
Wat zijn de belangrijkste bronnen van grootschalige luchtverontreiniging en verzurende stoffen?
De belangrijkste bronnen zijn landbouw, verkeer en de industrie.
- De landbouw draagt voor meer dan 90% bij aan de emissie van ammoniak in Nederland. De belangrijkste emissiebronnen zijn veestallen, toediening van dierlijke en kunstmest, beweiding en mestopslag.
- Het verkeer is de belangrijkste bron van stikstofoxiden, met in 2002 een bijdrage van meer dan 65% aan de emissie in Nederland. De industrie- en de energiesector zijn andere belangrijke bronnen.
- De industrie stoot het meeste zwaveldioxide uit. Ongeveer de helft van de emissie komt voor rekening van deze bron. Zwaveldioxide komt hoofdzakelijk vrij bij verbranding van kolen en olie.
- De uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOCs) is vooral afkomstig van verkeer en industrie.
Waarom zijn grootschalige luchtverontreiniging en verzuring één beleidsthema?
De stoffen die bijdragen aan grootschalige luchtverontreiniging en verzuring zijn gedeeltelijk dezelfde. Ook zijn er bronnen die aan beide problemen een bijdrage leveren. Bovendien hebben de stoffen die verzuring en grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken, vergelijkbare effecten op ecosystemen en de volksgezondheid. Het is niet mogelijk om deze effecten te onderscheiden naar hun oorzaak: verzuring (zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak) respectievelijk luchtverontreiniging (vluchtige organische stoffen). Het milieubeleid behandelt ze daarom onder één noemer.
Welke maatregelen zijn er genomen?
In internationaal verband hebben 31 landen, waaronder alle EU-lidstaten, in het zogenoemde Gothenburg Protocol afspraken gemaakt over emissieplafonds voor 2010. Op 23 oktober 2001 zijn de EU-lidstaten nationale emissieplafonds overeengekomen in de National Emission Ceilings Directive (NEC-richtlijn). De Nederlandse doelstellingen zijn vastgelegd in het vierde Nationaal Milieubeleidsplan. Dit zijn inspanningsverplichtingen, die scherper zijn gesteld dan wat er internationaal is afgesproken. De reden hiervan is om een veiligheidsmarge op te bouwen bij tegenvallers.
Waarom zijn de bossen niet dood?
De grootschalige aantasting van bossen werd in de jaren tachtig van de vorige eeuw aanvankelijk als een van de grootste gevaren van de verzuring (‘zure regen’) gezien. De berichten over stervende bossen in Duitsland (‘Waldsterben’) hebben de (Nederlandse) overheid gestimuleerd tot het nemen van maatregelen om de emissies van verzurende stoffen terug te dringen. De vitaliteit van het Nederlandse bos lijkt hierdoor enigszins verbeterd.
In dizelfde perioden werden nog vele honderden hectaren grove den en Corsicaanse den gekapt vanwege schimmelziekten. Deze ziekten, die veroorzaakt werden door te hoge stikstofbelasting, zijn sinds 2000 sterk in intensiteit en frequentie afgenomen. Ook de gele verkleuring in de winter van dennennaalden, een indicator voor een slechte vitaliteit, komt momenteel in veel mindere mate voor dan in de jaren tachtig.
Overigens kan op de lange termijn – in de orde van 200 jaar - bij de huidige emissieniveaus het bos alsnog te gronde gaan aan vergiftiging door aluminium. Dit aluminium komt in sterk verzuurde bodems in hoge concentraties vrij als het zogenoemde zuurneutraliserend vermogen van de bodem opgebruikt is. Overigens is later gebleken dat bomen niet de meest gevoelige soorten voor de effecten van verzuring en vermesting waren. Bovendien bleken de kritische depositieniveaus voor bomen hoger te liggen dan eerst gedacht.