Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de subnavigatieNaar de hoofdinhoud

Veelgestelde vragen

Duurzaam bodembeheer

Wat is duurzaam bodemgebruik?

Duurzaam bodemgebruik houdt in dat de bodem zodanig gebruikt wordt, dat het gebruik géén beperkingen oplegt aan het toekomstige gebruik. Daarnaast mag er geen afwenteling naar elders zijn. Deze definitie van duurzaam bodemgebruik bevat behalve een ecologische component ook een sociaal-economische component: duurzaam bodemgebruik is namelijk uitsluitend mogelijk als de gebruiker van de bodem in zijn toekomstige behoeften kan blijven voldoen.

In het huidige Nederlandse en het voorgestelde Europese bodembeleid wordt duurzaam bodemgebruik sterk geassocieerd met het instandhouden van zogenoemde ecologische diensten. Ecologische diensten zijn eigenschappen binnen een ecosysteem, die van nut zijn voor de mens. De belangrijkste ecologische diensten in relatie tot bodemgebruik zijn:

  • productie van biomassa, met name in de landbouw en de bosbouw;
  • opslag, filtering en omzetting van voedingsstoffen, chemische stoffen en water;
  • reservoir van biodiversiteit, met name voor habitats, soorten en genen;
  • ziekte- en plaagwering: het natuurlijke vermogen om ziekten en plagen te voorkomen en te onderdrukken;
  • fysieke structuur: draagkracht, historische archief;
  • opslag van koolstof.

De Technische Commissie Bodembescherming heeft in haar advies van 2003 ervoor gepleit om behalve met deze nutsfuncties ook rekening te houden met het instandhouden van de ‘intrinsieke waarde’ van het bodemsysteem, zoals biodiversiteit en geodiversiteit (diversiteit aan bodems en landschappen). De Beleidsbrief Bodem benadrukt vooral het instandhouden van de nutsfuncties.

Bij het publiceren van de Beleidsbrief Bodem in 2004 was het begrip ‘duurzaam bodemgebruik’ nog tamelijk abstract en niet ingevuld met indicatoren. Inmiddels zijn verschillende initiatieven gestart, om het begrip te vertalen naar praktijksituaties.

Welke knelpunten kent het huidige bodemgebruik?

Ondanks de verbeteringen die de afgelopen jaren behaald zijn, is het bodemgebruik vanuit een breder ecologisch perspectief nog niet altijd even duurzaam. Belangrijke knelpunten zijn:

  • Het overmatig gebruik van stikstof, fosfaat en gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw, waardoor mogelijk verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater optreedt.
  • Diepe ontwatering in veenweidegebieden, waardoor het veen oxideert en het maaiveld daalt.
  • Gebruik van zware landbouwmachines onder te natte omstandigheden, waardoor de bodem irreversibel verdicht.
  • Bodemtechnische ingrepen, die leiden tot verlies van archeologische of aardkundige waarden.

Duurzaam bodemgebruik is een normatief begrip. Dit blijkt bijvoorbeeld uit discussies rond duurzaam bodemgebruik in de landbouw. De ministeries van LNV en VROM concluderen in het rapport ‘Duurzaam bodemgebruik in de landbouw: een beoordeling van het agrarisch bodemgebruik in Nederland’ dat de Nederlandse boeren de bodem in het algemeen duurzaam gebruiken. Bij dit oordeel is vooral gekeken vanuit het perspectief van de boer: deze heeft er geen belang bij dat de bodem als productiefactor wordt aangetast. De landbouw is echter ook een belangrijke bron van fosforbelasting naar het oppervlaktewater. Op veel plaatsen is de bufferende werking van de bodem aangetast, waardoor de uit- en afspoeling zodanig is toegenomen dat dit leidt tot te hoge concentraties in het grond- en oppervlaktewater. Hierdoor kunnen ecologische waterkwaliteitsdoelen niet worden gehaald. Er is op die plaatsen dus sprake van afwenteling en dus is het bodemgebruik vanuit een breder ecologisch perspectief niet duurzaam.

Wegen de kosten van de huidige bodemsaneringsoperatie op tegen de baten?

Bodemsanering levert substantiële baten op voor gezondheid, drinkwatervoorziening en vastgoed. Deze berekende baten wegen echter niet op tegen de te maken saneringskosten. Niet in geld uitgedrukte baten zoals ecologie en beleving kunnen de afweging anders doen uitvallen. De MKBA is uitgevoerd voor de gehele bodemsaneringsoperatie. Op onderdelen daarvan of op individuele locaties kan de afweging van kosten en baten anders uitvallen. De netto-baten van bodemsanering op een individuele locatie zijn behalve van de historische oorzaak en het type verontreiniging vooral afhankelijk van het bodemgebruik en de inwonerdichtheid.

Gezondheidswinst

De gezondheidswinst die bodemsanering kan opleveren is onzeker, maar mogelijk aanzienlijk. Als verontreinigde grond wordt schoongemaakt, kan het aantal mensen dat jaarlijks kanker krijgt als gevolg van blootstelling aan cadmium en benzeen, met maximaal tot enkele honderden mensen afnemen.

Weging van baten in de toekomst bepalend

Uitgedrukt in geld en uitgaande van een discontovoet van 4 procent, kan bodemsanering de komende eeuw tot maximaal 5,8 miljard euro opleveren aan gewonnen gezondheid, afhankelijk van het beleidalternatief. Vastgoedbaten kunnen oplopen tot 1,7 miljard euro. De kosten kunnen oplopen tot 8,5 miljard euro. Indien de toekomstige baten zwaarder meegewogen worden en/of de beschikbaarheid van schone grond aan toekomstige generaties als belangrijk worden gezien, kan een lagere discontovoet gehanteerd worden en de leveren de investeringen wel een positief saldo op.

Onzekerheden

Zowel de kosten als de baten zijn onzeker. De onzekerheid in de baten is groter dan die in de kosten. Het is niet mogelijk een betrouwbaarder raming te geven van de baten en met name de gezondheidsbaten. In alle alternatieven zijn de gezondheidsbaten hoger dan de vastgoedbaten en de baten voor drinkwatervoorziening. De baten voor vastgoed en drinkwatervoorziening samen wegen in geen enkel alternatief en bij geen enkele discontovoet op tegen de te maken kosten.

Ecosystemen

Op circa 160.000 hectare wordt de norm voor schade aan ecosystemen overschreden, van deze gebieden ligt slechts een beperkt gedeelte in natuurgebieden. Helaas ontbreekt methodologie om deze normoverschrijdingen te vertalen in effecten op ‘ecologische diensten’ en daarna in geld.

De focus is in het beleid verschoven van verontreiniging naar duurzaam bodemgebruik. Zijn er dan geen problemen met verontreiniging meer?

Hoewel de emissies van chemische stoffen naar de bodem sterk zijn afgenomen, blijft verontreiniging met chemische stoffen vooralsnog een belangrijke bedreiging van bodems in Nederland. Het gaat hierbij om lokale verontreinigingen door industriële activiteiten in het verleden en om diffuse verontreiniging in het landelijk gebied. Duurzaam bodembeheer draagt overigens wel bij aan het verminderen van de emissies van stoffen naar de bodem.

Lokale bodemverontreiniging

Lokale verontreinigingen zijn vooral ontstaan door industriële activiteiten in het verleden; nieuwe gevallen moeten direct worden gesaneerd. De omvang van het probleem is goed bekend. Er zijn circa 400.000 locaties die mogelijk ernstig verontreinigd zijn. Daarvan moeten naar schatting 56.000 locaties worden gesaneerd, waarvan 11.000 met spoed (vóór 2015), omdat er onaanvaardbare risico’s zijn voor het huidige bodemgebruik. Het landsdekkend beeld van (potentieel) verontreinigde locaties is digitaal beschikbaar via http://www.bodemloket.nl/. Zie ook het Milieu- en Natuurcompendium.

Diffuse bodemverontreiniging

Diffuse verontreiniging met nutriënten, zware metalen en gewasbeschermingsmiddelen komt in het gehele landelijk gebied van Nederland voor. De landbouw is de belangrijkste bron van diffuse bodemverontreiniging:

  • In veel landbouwgebieden is de aanvoer van zware metalen via dierlijke mest en fosfaatkunstmest nog steeds hoger dan de afvoer. Hierdoor hopen deze metalen zich in de bodem op. Vooralsnog leidt dit niet tot functiebeperkingen voor de landbouw en ook niet tot problemen met de voedselkwaliteit. Functiebeperkingen zijn er mogelijk wel in gebieden waar sprake is van historische (diffuse) verontreinigingen, zoals de Kempen en het westelijk veenweidegebied.
  • Door overbemesting met kunstmest en dierlijke mest hoopte zich tussen 1960 en 2000 jaarlijks 60-100 kg fosfaat per hectare landbouwgrond op. Hierdoor is momenteel circa 55% van de landbouwgronden fosfaatverzadigd. Fosfaatverzadigde gronden kunnen een risico vormen voor de oppervlaktewaterkwaliteit.
  • In de periode 2003-2005 werden in 1,7-3,5% van de in Nederland geteelde landbouwproducten, gewogen naar dagelijkse inname, gewasbeschermingsmiddelen boven de residunorm gevonden.

De Europese Commissie benoemt zeven bodembedreigingen. Welke van deze bedreigingen zijn belangrijk voor Nederland?

De Europese Commissie heeft recent een voorstel voor een Europese Kaderrichtlijn voor Bodem (KRB) gedaan. Hierin worden zeven bedreigingen voor de Europese bodems benoemd: erosie, aardverschuivingen, afname van de voorraad organische stof, verzilting, verdichting, verontreiniging en afdekking. De belangrijkste bodemproblemen in Nederland zijn: lokale verontreinigingen met chemische stoffen; diffuse verontreiniging met nutriënten, zware metalen en gewasbeschermingsmiddelen in het landelijk gebied; verlies van organische stof en toename van de bodemafdekking. Verzilting is vooralsnog een beheersbaar probleem, maar kan door klimaatsverandering in de toekomst een grootschalig probleem worden. Erosie is in Nederland een lokaal fenomeen. De effecten van zware landbouwmachines op de bodemstructuur zijn uit theorie en veldstudies bekend, maar gegevens over de omvang van het probleem in de praktijk zijn niet voorhanden.

Wat zijn de consequenties van de Europese Bodemrichtlijn voor het Nederlandse beleid?

De Kaderrichtlijn voor Bodem verplicht lidstaten van de Europese Unie tot het opstellen en uitvoeren van beleid, dat de bodem tegen zeven bedreigingen beschermt. Het beschermingsniveau mag afhangen van het huidige of beoogde landgebruik en mag door decentrale overheden worden vastgesteld. De richtlijn beschrijft onder meer hoe de aanpak van bodemverontreiniging in lidstaten moet worden georganiseerd. Dit sluit goed aan bij het Nederlandse beleid.

Er zijn echter ook verschillen met het Nederlandse beleid. Zo is de werking van de richtlijn breder en mogelijk meer verplichtend dan het Nederlandse bodembeleid. Dat geldt bijvoorbeeld voor het beperken van bodemafdekking door bebouwing en bestrating en het verminderen van het verlies van organische stof in veengronden. Daarnaast bevat de richtlijn veel algemene uitgangspunten, die door lokale overheden en burgers verschillend geïnterpreteerd kunnen worden. Het is daarbij denkbaar dat derden zich dan bij de rechter gaan beroepen op eenduidige interpretatie van verplichtingen uit de richtlijn. Dit zou tot harmonisatie en inperking van de beleidsruimte kunnen leiden.

Stikstof en fosfor zijn geen gevaarlijke stoffen. Waarom vallen ze dan toch onder de Europese Bodemrichtlijn

De Kaderrichtlijn Bodem wil onder andere de ophoping van gevaarlijke stoffen in de bodem tegengaan. Stikstof en fosfor zijn volgens de in de Kaderrichtlijn Bodem genoemde definitie echter geen gevaarlijke stoffen. Integendeel, deze stoffen zijn nodig om een goede gewasproductie en gewaskwaliteit te realiseren. Stikstof en fosfor vallen toch onder de Kaderrichtlijn voor Bodem, omdat overmatig gebruik van nutriënten via meststoffen kan leiden tot aantasting van bodemfuncties en waterkwaliteit:

  • De filterfunctie van de bodem: overmatig gebruik van fosfaat leidt tot fosfaatverzadiging en dus tot aantasting van de filterfunctie.
  • De bodem als reservoir van biodiversiteit: er zijn aanwijzingen dat in gebieden met intensieve veehouderijen zowel de totale hoeveelheid bodemorganismen, als de soortenrijkdom is verminderd. Als gevolg hiervan is in deze gebieden tevens de natuurlijke bodemvruchtbaarheid tot 50% afgenomen.

Het is overigens niet waarschijnlijk dat de Kaderrichtlijn Bodem extra verplichtingen bovenop het al bestaande mestbeleid met zich meebrengt. Het nieuwe mestbeleid schrijft namelijk voor dat per 2015 niet meer fosfaat op het land gebracht mag worden dan het gewas kan opnemen. Hierdoor zal ook de ophoping van fosfaat in de bodem stoppen.

Moet Nederland de veenweidegebieden aanwijzen als risicogebied voor de Europese Bodemrichtlijn?

Een nieuw begrip dat de Kaderrichtlijn voor Bodem introduceert in het bodembeleid is het begrip ‘risicogebied’. De richtlijn maakt geen onderscheid tussen grote of kleine gebieden en als er aantoonbaar risico’s op bodemdegradatie is, dan zijn de lidstaten verplicht zulke gebieden aan te wijzen. Het aanwijzen van risicogebieden is een objectieve verplichting. Omdat de Nederlandse veenweidegebieden van belang zijn voor het vasthouden van CO2 en daar sprake is van verlies van organische stof, lijkt het waarschijnlijk dat deze gebieden als risicogebied moeten worden aangewezen. In dat geval wordt planvorming en planuitvoering om de risico’s te verminderen verplicht. Overigens zijn de veenweidegebieden niet expliciet genoemd in de KRB.

Kan zich in fosfaatverzadigde gronden nog fosfaat ophopen?

De term fosfaatverzadigde grond suggereert dat de bodem met fosfaat verzadigd is en geen fosfaat meer vasthoudt, waardoor al het fosfaat dat niet door het gewas wordt opgenomen uitspoelt. Dit is echter niet het geval. Een fosfaatverzadigde grond is gedefinieerd als een grond, waarin de uitspoeling van fosfaat vanuit de bodem zodanig is, dat dit kan leiden tot overschrijding van de huidige richtinggevende norm voor fosfor in het oppervlaktewater (0,15 mg/l). Deze situatie treedt al op ver voordat de bodem geheel met fosfaat verzadigd is. Voor kalkloze zandgronden treedt deze situatie bijvoorbeeld al bij een verzadigingsgraad van 25% op.

Momenteel is ongeveer 55% van de landbouwgronden fosfaatverzadigd. Een deel van deze gronden vorm een daadwerkelijk risico voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Deze gronden zijn ‘fosfaatlekkend’. Hoe groot het risico van fosfaatverzadigde gronden voor het oppervlaktewater is, hangt af van een aantal factoren, zoals de hoeveelheid opgehoopt fosfaat en de ligging van de verzadigde gronden ten opzichte van waterlopen. Hoeveel fosfaatverzadigde gronden daadwerkelijk fosfaatlekkend zijn en waar ze precies gelegen zijn, is onderwerp van onderzoek.

Neemt de voorraad organische stof in Nederlandse bodems af?

In de meeste regio’s van Nederland is de voorraad organische stof sinds 1970 gelijk gebleven. Dit blijkt uit een historische analyse van meetgegevens van het bedrijfslaboratorium voor grond- en gewasonderzoek (Blgg) in Oosterbeek. In veengronden neemt door ontwatering de voorraad organische stof wel af.

In Nederland komt zo’n 290.000 hectare veengrond voor (7% van het landoppervlak). Een groot deel daarvan ligt in polders beneden de zeegspiegel en is in gebruik als grasland. Om in deze gebieden een vitale landbouw mogelijk te maken, wordt vaak een grondwaterstand gehandhaafd van ongeveer 60 cm onder het maaiveld. Het ontwaterde veen oxideert en verdwijnt als CO2 naar de atmosfeer, waardoor het maaiveld plaatselijk met ruim 1 cm per jaar daalt. Hierbij komt jaarlijks ruim 4 Mton CO2 vrij, circa 2% van de totale jaarlijkse broeikasgasemissie van Nederland per jaar. TNO verwacht dat in sommige gebieden het maaiveld in 2050 een halve meter lager ligt dan nu het geval is. In het noordoosten van Nederland verdwijnt ook organische stof uit de bodem. Dit blijkt overigens niet uit maaivelddaling, maar uit het feit dat ruim 40% van de gronden die voorheen als veengrond werden gekarteerd, bij recente kartering als minerale gronden werden gekarteerd.