Veelgestelde vragen
Veelgestelde vragen met betrekking tot duurzame ontwikkeling
- Wat is duurzame ontwikkeling?
- Welke onderzoekslijnen naar duurzaamheid kent het PBL?
- Zijn de ontwikkelingen in Nederland de laatste decennia duurzaam?
- Hoe kun je omgaan met verschillende perspectieven op duurzaamheid?
- Wat zijn de belangrijkste duurzaamheidsvraagstukken in Nederland?
- In welke mate kunnen biobrandstoffen bijdragen aan de reductie van broeikasgasemissies?
- Is inzet van biobrandstoffen voor vervoer effectief in het bereiken van emissiereducties?
- Waar vindt de teelt van biobrandstoffen plaats?
- Is de grootschalige teelt van biobrandstoffen altijd duurzaam?
- Wat is de rol van het PBL bij duurzame ontwikkeling?
- Wat is de rol van Milleniumdoelen bij duurzame ontwikkeling?
- Is schaarste een thema in relatie tot duurzame ontwikkeling?
- Kunnen transitieprocessen bijdrage leveren aan bereiken van duurzaamheid?
Wat is duurzame ontwikkeling?
Duurzame ontwikkeling – die over doelen, middelen en afruilen gaat – is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarmee de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld, in gevaar worden gebracht. Uitwerking van duurzame ontwikkeling volgens deze definitie vergt inzicht in zowel de behoeften van mensen als de hiervoor beschikbare middelen. Voorbeelden van behoeften zijn dat we zowel nu als later graag in Nederland onze voeten droog willen houden, we gezond willen blijven en kunnen beschikken over een goede pensioenvoorziening. Om deze behoeften te realiseren worden schaarse middelen ingezet, zoals arbeid, machines, olie en gas. Het gaat bij duurzame ontwikkeling zowel om de continueerbaarheid als de verdeling van een zekere kwaliteit van leven in relatie tot de daarvoor beschikbare hulpbronnen. Daarom moet bij de hier en nu ondernomen activiteiten rekening worden gehouden met de effecten daarvan elders en later op de wereld. Zijn die effecten ongewenst, dan gaat het bereiken van het ene doel ten koste van het andere. Zo vermindert het toenemende gebruik van biobrandstoffen de afhankelijkheid van aardolie en – in beginsel – de emissies van broeikasgassen. Tegelijkertijd draagt een grote vraag naar biobrandstoffen bij aan stijging van de voedselprijzen en tast dit de biodiversiteit aan als daar direct of indirect tropisch bos voor wordt gekapt.
Na identificatie van zulke afruilrelaties is de vraag aan de orde hoe met de afruil tussen doelen kan worden omgegaan. In algemene termen is deze vraag niet te beantwoorden. Dat vergt in de eerste plaats het concreet hanteerbaar maken van duurzame ontwikkeling. Dat kan alleen zinvol gebeuren per thema of domein. De verzameling concrete doelen die een duurzame ontwikkeling in het domein bouwen en wonen inhoud geeft, zal anders zijn dan de verzameling concrete doelen die een duurzame voedselvoorziening beschrijft. In de tweede plaats bestaat er in de samenleving vaak verschil van mening over de gewenste koers. Bovendien kunnen voorkeuren hierover in de loop van de tijd veranderen. Bemiddeling hiertussen gebeurt in het politieke proces. De wetenschap verschaft daarbij inzicht in de handelingsopties en de consequenties van keuzes op de lange termijn.
Doelen en daarop gerichte handelingen zijn dan duurzaam als deze:
- ecologisch houdbaar zijn,
- economisch een langetermijnperspectief hebben,
- en rechtvaardige en stabiele sociale verhoudingen opleveren.
Duurzame ontwikkeling is dan ook eerder op te vatten als een proces van maatschappelijke doelbepaling, dan als een na te streven specifiek resultaat waar maatschappelijk draagvlak voor bestaat.
Welke onderzoekslijnen naar duurzaamheid kent het PBL?
Binnen het PBL lopen verschillende onderzoekslijnen naar duurzaamheid in Nederland, maar ook in de rest van de wereld:
- Uitwerking van dilemma’s in de afweging tussen de domeinen economie (efficiëntie), ecologie (houdbaarheid) en sociaal (rechtvaardigheid);
- Duurzame productie en consumptie in Nederland;
- Waarden en wereldbeelden bij burgers en ondernemers;
- Dilemma’s tussen klimaatverandering en duurzaamheid in ontwikkelingslanden;
- Europese afwegingen in duurzaamheidsdilemma’s;
- Systeemverandering: transities naar een duurzame samenleving;
- Demografische ontwikkelingen en duurzaamheid.
Aan het onderzoek werken mensen met verschillende achtergronden, van economen, sociologen en politicologen, tot systeemanalisten, milieukundigen en technologiedynamici. In het onderzoek wordt veelvuldig gebruik gemaakt van scenario’s.
Zijn de ontwikkelingen in Nederland de laatste decennia duurzaam?
Door middel van vier wereldbeelden zijn in de Eerste Duurzaamheidsverkenning vier antwoorden gegeven op de vraag of ontwikkelingen in Nederland de laatste decennia duurzaam zijn. De werelden geven elk een specifieke kijk weer op de kwaliteit van leven en de manier waarop die kwaliteit moet worden gerealiseerd. Ze contrasteren in de mate van internationale verwevenheid (globalisering versus regionalisering) en in de keuze tussen efficiëntie en solidariteit. Duurzaamheid kan meetbaar worden gemaakt door middel van indicatoren die gebaseerd zijn op maatschappelijke waarden en wetenschappelijke inzichten. Uit het verloop van deze indicatoren over de afgelopen 30 jaar komt het beeld naar voren dat de duurzaamheid in Nederland tot 1990 is afgenomen en daarna ongeveer is gestabiliseerd. Deze trends volgen uit het grote gewicht dat maatschappij (en wetenschap) toekennen aan mondiale ecologische vraagstukken en uit de geleidelijke verbetering van de situatie wat betreft honger, armoede en internationale conflicten. Deze indicatoren kunnen ook worden gebruikt om beleidsvoornemens te beoordelen op hun bijdrage aan duurzaamheid.
Hoe kun je omgaan met verschillende perspectieven op duurzaamheid?
Er zijn vele indicatoren denkbaar die iets zeggen over duurzame ontwikkeling. De vraag of ontwikkelingen duurzaam zijn is echter afhankelijk van het wereldbeeld: wordt bijvoorbeeld ongelijkheid in de wereld als probleem gezien, of niet? Duurzaamheid hangt dus samen met maatschappelijke waarden. Deze waarden of wereldbeelden zijn wel meetbaar. TNS-NIPO heeft daartoe een enquête uitgevoerd onder de Nederlandse bevolking. In de Eerste Duurzaamheidsverkenning zijn indicatoren voor duurzame ontwikkeling afgeleid uit enerzijds de waardenoriëntaties van de Nederlandse bevolking en anderzijds de wetenschappelijke inzichten in de beschikbaarheid van de (collectieve) middelen. Deze indicatoren worden vanuit de verschillende wereldbeelden als maatgevend gezien voor de duurzaamheid vande maatschappelijke ontwikkeling. De indicatoren vormen als het ware de bril waarmee vanuit verschillende wereldbeelden tegen de ontwikkeling wordt aangekeken als het om duurzaamheid gaat. In het ene wereldbeeld wordt bijvoorbeeld grote betekenis toegekend aan de ontwikkeling van de staatsschuld, terwijl een ander wereldbeeld weer meer betekenis toekent aan de ontwikkeling van honger in de wereld.
Wat zijn de belangrijkste duurzaamheidsvraagstukken in Nederland?
Burgers vinden de vervuiling van zeeën en rivieren, het gat in de ozonlaag, de dreiging van terrorisme, het klimaat/broeikaseffect en honger de belangrijkste maatschappelijke problemen. Terrorisme en luchtvervuiling zijn ten opzichte van 2003 fors gestegen. Voor de stijging zijn kiezers van zowel de coalitie- als oppositiepartijen verantwoordelijk. Dit zijn de uitkomsten van omvangrijke enquêtes in 2003 en 2005 van het Milieu en Natuurplanbureau (MNP, voorganger van het PBL) voor de Duurzaamheidsverkenning.
In welke mate kunnen biobrandstoffen bijdragen aan de reductie van broeikasgasemissies?
Biobrandstoffen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de reductie van broeikasgasemissies. Volgens de huidige inzichten zijn de langetermijndoelen van het Europese klimaatbeleid moeilijk haalbaar/duurder zonder de inzet van biobrandstoffen.
Om de Europese langetermijn-klimaatdoelstelling (2°C-doelstelling) te realiseren dient de energiehuishouding ingrijpende wijzigingen te ondergaan. Naast energiebesparing is energieopwekking met hernieuwbare bronnen een belangrijk deel van de toekomstige duurzame energiehuishouding. Uit vele scenariostudies is gebleken dat biobrandstoffen in de toekomst een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de wereldwijde toekomstige opwekking uit hernieuwbare bronnen, vanwege kosten en potentieel. Uit berekeningen van het MNP (voorganger van het PBL) blijkt een kostenoptimale inzet van opties zoals in onderstaande figuur. De emissiereductie in deze figuur is gericht op het realiseren van de doelstelling van maximaal 2°C-temperatuurstijging.

Is inzet van biobrandstoffen voor vervoer effectief in het bereiken van emissiereducties?
Biobrandstoffen kunnen worden toegepast voor vervoersdoeleinden en voor elektriciteitopwekking. Toepassing voor vervoer leidt op dit moment tot geringere emissiereductie, tegen hogere kosten, dan toepassing voor elektriciteitopwekking. In de toekomst kan de introductie van geavanceerdere (2e generatie) biobrandstoffen leiden tot een hogere kosteneffectiviteit van CO2-emissiereductie.
Anderzijds zijn alternatieve technische mogelijkheden om de CO2-emissie in de transportsector te reduceren tegen lagere kosten beperkt, en speelt ook de voorzieningszekerheid (olievoorraden) een rol. Bovendien is de EU-richtlijn biobrandstoffen (2003/30/EG) niet vrijblijvend en zal ook Nederland op enige manier aan implementatie dienen te werken. In onderstaande tabel worden de specifieke CO2-emissiereductiekosten vergeleken. Deze specifieke emissiereductiekosten zijn berekend op basis van olieprijzen die lager zijn dan de thans geldende prijzen voor ruwe olie. Bij een hogere olieprijs worden de specifieke kosten lager.
| Type biobrandstof | Verandering broeikasgasemissies t.o.v. fossiele brandstof |
Kosteneffectiviteit (euro/ton CO2-equiv.) |
|---|---|---|
| Pure plantaardige olie (PPO) | + 15% tot - 65% | 600-1600 |
| Biodiesel1e generatie) | -25% tot -45% | 200-250 |
| Bio-ethanol (1e generatie; suikerbieten) | -15% tot -55% | 400-500 |
| Kolencentrale (mee-/bijstoken) | -85% | 65-80 |
| Fischer Tropsch-biodiesel (toekomstig, 2e generatie) | -85% tot -95% | 50-150 |
| Ethanol op basis van cellulose (toekomstig, 2e gen.) | -55% tot -90% | 0-100 |
Tabel op basis van een drietal rapportages van CE Delft:
- CE (2003). Biomassa: tanken of stoken? Publicatienr. 03.4583.25
- CE (2005). Op (de) weg met plantenolie? Publicatienr. 05.4802.26
- CE (2005). Biofuels under development. Publicatienr. 05.4894.11
Waar vindt de teelt van biobrandstoffen plaats?
Bij grootschalige toepassing van biobrandstoffen in Nederland zal de teelt van biobrandstofgewassen in hoofdzaak buiten Nederland en waarschijnlijk deels buiten Europa plaatsvinden. Voor de verbetering van de ‘vitaliteit van het platteland’ in Nederland is het stimuleren van biobrandstoffen daarom geen effectief beleid.
In een zeer recent onderzoek van het Landbouw Economisch Instituut is geconcludeerd dat alternatieven voor koolzaad in Nederland meer opbrengen dan het telen van koolzaad, ook indien er een accijnsvrijstelling wordt gegeven voor biobrandstoffen. Deze conclusie geldt niet alleen onder de huidige marktomstandigheden, maar ook onder het nieuwe EU-landbouwbeleid. In andere Europese landen, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, zijn voor agrariërs niet altijd hoger renderende alternatieven aanwezig, waardoor het telen van biobrandstofgewasssen daar wel zal plaatsvinden. Natuurlijk zijn er in Nederland in individuele gevallen wel mogelijkheden om biobrandstoffen rendabel te telen, maar voor de Nederlandse agrarische sector als geheel wordt geen toekomst in biobrandstoffen gezien.
Is de grootschalige teelt van biobrandstoffen altijd duurzaam?
Duurzaamheidsrisico's
Grootschalige teelt van biobrandstoffen brengt risico’s met zich mee. Door concurrentie met ruimtegebruik voor voeding en natuur bestaan er risico’s voor ontbossing, landdegradatie en afname van biodiversiteit. Ook de sociaal-economische omstandigheden kunnen daardoor in bepaalde herkomstregio’s van biobrandstoffen verslechteren.
Kansen voor duurzaamheid
De productie van biobrandstoffen kan – onder de juiste randvoorwaarden – ook leiden tot extra economische kansen in de herkomstregio’s. Voor een aantal Europese landen is het stimuleren van de eigen landbouw een reden om biobrandstoffen voor transport te stimuleren.
Het is voorstelbaar dat stimulering van de huidige generatie biobrandstoffen bijdraagt tot introductie van de beoogde betere (2e) generatie biobrandstoffen op de lange termijn. Om een dergelijke ontwikkeling te stimuleren zouden direct eisen moeten worden gesteld aan de (toekomstige) gewenste milieu-effectiviteit van biobrandstoffen voor vervoer. Met name gaat het dan om eisen aan de CO2-emissiereductie over de gehele keten van teelt en productie tot gebruik.
Maar... garanties zijn niet te geven
Er is een wens om bij het stimuleren van biobrandstoffen in Nederland te garanderen dat dit niet leidt tot afwenteling van mogelijke negatieve gevolgen naar de herkomstregio’s. We constateren dat deze - op zich sympathieke - wens nog moeilijk is te implementeren. Dit komt deels door Europese markt- en/of WTO-regels. Daarnaast bestaan er nog geen eenduidige en internationaal erkende garantie- of certificeringssystemen voor biobrandstoffen.
Natuurlijk is het wel gewenst om te streven naar ontwikkeling van dergelijke internationale systemen en afspraken. Binnen de EU kan Nederland een dergelijk systeem niet alleen opzetten. Andere landen, zoals Duitsland, en de EU-Commissie vinden het ook belangrijk om niet-duurzame neveneffecten van het gebruik van biobrandstoffen te voorkomen. Internationale samenwerking op dit punt is daarom benodigd.
Wat is de rol van het PBL bij duurzame ontwikkeling?
Het PBL onderzoekt de achtergronden van duurzame ontwikkeling: welke rol spelen beleid, gedrag en factoren zoals technologische ontwikkelingen? Centraal staat daarbij de vraag of de huidige ontwikkelingen duurzaam zijn. Het antwoord daarop is afhankelijk van verschillende maatschappelijke opvattingen over de gewenste kwaliteit van leven en over de verdeling van kosten en baten. Duurzaamheid zegt niet alleen iets over (milieu)grenzen, maar ook over maatschappelijke normen en waarden.
Het PBL schetst vanuit een ruimtelijk- en milieuperspectief de dilemma’s en de risico’s bij verschillende beleidsstrategieën die gericht zijn op duurzame ontwikkeling. De keuze in dergelijke dilemma’s maakt het PBL niet zelf, wél bieden we de informatie die een weloverwogen keuze in het rijksbeleid mogelijk maakt.
In het onderzoek gericht op duurzame ontwikkeling binnen het PBL worden themaoverstijgende vraagstukken verkend en de gecombineerde effecten van meerdere beleidsdossiers geëvalueerd. Het gaat er daarbij om te identificeren waar en op welke manier schaalniveaus alsook thema’s en beleidsdossiers zijn gekoppeld. Een centrale vraag is hoe je systematisch met tegenstrijdige belangen en wensen om gaat.
Wat duurzame ontwikkeling concreet inhoudt, verschilt per thema en per schaalniveau. Per geval wordt duurzame ontwikkeling geoperationaliseerd door de set van specifieke doelstellingen te identificeren die in de samenleving wordt nagestreefd. In algemene zin richt duurzame ontwikkeling zich op de vraag hoe een goede kwaliteit van leven – hier en nu, elders en later – kan worden bereikt en in stand kan worden gehouden.
Om de discussie over duurzame ontwikkeling onderbouwd te kunnen voeren, is en wordt door het PBL onder andere gewerkt aan:
- duurzaamheidsverkenningen;
- monitoring van duurzame ontwikkeling in Nederland;
- onderzoek naar millenniumdoelen in relatie tot milieu;
- oorzaken en gevolgen van schaarste;
- het beschrijven en evalueren van transities.
Wat is de rol van Milleniumdoelen bij duurzame ontwikkeling?
Duurzame ontwikkeling op mondiale schaal richt zich vooral op de mate waarin verbeteringen op de terreinen armoede, gezondheid, economische ontwikkeling en milieu tegelijkertijd kunnen worden gerealiseerd. De Millennium ontwikkelings-doelen (MDGs) kunnen gezien worden als een belangrijke concrete invulling van (mondiale) duurzame ontwikkeling. Belangrijke onderzoeksvragen waar het PBL zich op richt zijn:
- Is milieukwaliteit cruciaal voor ontwikkeling? Wat is de impact van Global Environmental Change op de MDGs / ontwikkeling?
- Gaat ontwikkeling ten koste van milieu? Wat is de impact van het halen van de MDGs? Wat is de impact van globalisering?
- In welke mate kunnen ongewenste effecten worden beperkt? En welke aspecten van governance en instituties spelen hierbij een rol?
Is schaarste een thema in relatie tot duurzame ontwikkeling?
Schaarste is een ander belangrijk thema voor duurzame ontwikkeling binnen PBL: in hoeverre is de ‘resource base’ toereikend voor verdere ontwikkeling? Het gaat daarbij om de oorzaken en de gevolgen van schaarste, voor zowel Nederland, als Europa en als voor ontwikkelingslanden. Belangrijke vragen in dit kader betreffen:
- Wat is de samenhang tussen de energie- en voedselvoorziening?
- Wat is de rol van governance, inclusief instituties en markten, bij het ontstaan en vóórkomen van schaarste?
- Welke transities kunnen milieu en ontwikkeling ontkoppelen? Het gaat daarbij om zowel technologieontwikkeling, technologieoverdracht als gedragsverandering.
Kunnen transitieprocessen bijdrage leveren aan bereiken van duurzaamheid?
Wat betreft de duurzame ontwikkeling is evaluatie van transitieprocessen een ander belangrijk onderzoeksspoor binnen het PBL. Binnen dit spoor geeft het PBL een beeld van de effecten, voortgang en het beleid rond de energietransitie processen. Dit onderzoek richt zich op mogelijkheden van bijvoorbeeld een decentrale elektriciteitsvoorziening en de rol die verschillende sectoren, spelers en instituties en technieken spelen in een mogelijk transitieproces naar een dergelijk systeem. Hierbij worden ook barrières op de weg naar de gewenste situatie geïdentificeerd.
