Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de subnavigatieNaar de hoofdinhoud

Correctie formulering over overstromingsrisico Nederland in IPCC-rapport

In het in 2007 uitgebrachte rapport van IPCC-werkgroep 2 (Climate change 2007: Impacts, adaptation and vulnerability) staat een fout in een door het Planbureau voor de Leefomgeving geleverde formulering over het overstromingsrisico van Nederland. In het hoofdstuk Europa staat op bladzijde 547 dat 55 procent van Nederland onder zeeniveau ligt (“The Netherlands is an example of a country highly susceptible to both sea-level rise and river flooding because 55 % of its territory is below sea level”). Hier had echter moeten staan dat 55 procent van Nederland gevoelig is voor overstromingen; 26 procent van Nederland ligt onder zeeniveau en 29 procent is gevoelig voor rivieroverstromingen. De bijna-overstromingen medio jaren ’90 van gebieden langs de Waal en Maas –gebieden ruim boven de zeespiegel- zijn voorbeelden van dit laatste.

Nederland is gevoelig voor klimaatverandering. Zowel de zeespiegelstijging als de hoge piekafvoeren van de rivieren vragen om voorzorgsmaatregelen. De onjuiste formulering in het rapport heeft geen consequenties voor deze conclusie.

Door recent onderzoek komen er steeds betere inzichten in de mogelijke overstromingsscenario’s in specifieke gebieden (o.a. project Veiligheid Nederland in Kaart, www.projectvnk.nl). Zeer recent publiceerde het Planbureau voor de Leefomgeving hiertoe de studie ‘Overstromingsrisicozonering in Nederland’.

Aanvullende informatie: Overstromingsgevoelig gebied

In de bijgevoegde kaart is weergegeven welk deel van Nederland onder NAP ligt en welk deel van Nederland als overstromingsgevoelig gebied kan worden aangemerkt. Op basis van de actuele hoogtekaart en de huidige inrichting van Nederland kunnen we stellen dat:

  1. 26% van het landoppervlak van Nederland beneden NAP ligt;
  2. 59% van het landoppervlak van Nederland (dus excl. Waddenzee, IJsselmeer en ander open water) gevoelig/kwetsbaar is voor overstromingen. Deze 59% omvat zowel het areaal dat binnen de dijkringen ligt als het deel dat buiten de dijkringen ligt, het zogeheten “buitendijks gebied”;
  3. 55% van het landoppervlak van Nederland binnen de dijkringen ligt en wordt beschermd door duinen, dijken, dammen en kunstwerken
  4. 4% van het landoppervlak van Nederland buitendijks gebied is, buiten de dijkringen ligt en dus niet wordt beschermd door duinen, dijken, dammen en kunstwerken.

Figure: landkaart Nederland met opverstromingsgevoelig gebied (PBL); 59% van het landoppervlak van Nederland (dus excl. Waddenzee, IJsselmeer en ander open water) is gevoelig/kwetsbaar voor overstromingen

Deze cijfers zijn tot stand gekomen in samenwerking tussen PBL en Rijkswaterstaat-Waterdienst. De percentages zijn bepaald door met het Geografisch Informatie Systeem (GIS) de oppervlakte te berekenen. Als bronnen zijn gebruikt het Actueel Hoogtebestand Nederland van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, in combinatie met de CBS bodemstatistiek, en het databestand van dijkringen van Rijkswaterstaat.

Patronen van overstromingen regionaal verschillend

De kans dat gebieden overstromen, is binnen het overstromingsgevoelige gebied niet overal gelijk. Hoe een overstroming daadwerkelijk verloopt, hangt af van de lokale omstandigheden en wordt in belangrijke mate bepaald door de hoogteverschillen in een gebied, de aanwezigheid van secundaire dijken, weglichamen, spoorlijnen en dergelijke. Door nader onderzoek naar mogelijke overstromingsscenario’s in specifieke gebieden krijgen we steeds meer inzicht in het overstromingsrisico. Regionale verschillen in overstromingsscenario’s zijn al meegenomen in onder andere de ramingen van economische schades en slachtoffers in de studie Nederland Later (MNP, 2007) en zeer recent publiceerde het Planbureau voor de Leefomgeving hierover de studie ‘Overstromingsrisicozonering in Nederland’.