Planbureau voor de Leefomgeving

Veelgestelde vragen

Duurzame landbouw

Duurzame veeteelt

Europees landbouwbeleid (GLB)

Gewasbeschermingsbeleid

Ammoniakbeleid

Mestbeleid

Biobrandstoffen

Wat is duurzame landbouw?

Of de voedselvoorziening al dan niet duurzaam is, hangt af van de randvoorwaarden aan een duurzame landbouw. Deels zijn die hard, bijvoorbeeld het beschikbare landoppervlak om voedsel te produceren, maar deels hangen de randvoorwaarden af van wat mensen belangrijk vinden. Een duurzame ontwikkeling houdt in dat het de landbouw niet alleen economisch goed gaat (‘profit’), maar dat ook de milieudruk – in en buiten Nederland – afneemt (‘planet’). Het gaat daarbij vooral om emissies door het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen naar bodem, water en lucht, en emissies uit stallen. Ook is van belang hoe zuinig de landbouw is met natuurlijke hulpbronnen, zoals fossiele energie, water en land. Een lage milieudruk en zuinig gebruik zijn goed voor de biodiversiteit. De sociale kant van duurzame landbouw (‘people’) zit hem vooral in zaken als werkgelegenheid, betaalbaar en veilig voedsel, dierenwelzijn en landschap. Maar ook het bestrijden van honger hoort erbij, als belangrijk doel voor ontwikkelingslanden.

Wat zijn de verschillen tussen geïntegreerde landbouw en biologische landbouw?

Er zijn twee strategieën om de landbouw duurzamer te maken: door inputs van buiten het bedrijf – zoals kunstmest en bestrijdingsmiddelen – zo efficiënt mogelijk te gebruiken (geïntegreerde landbouw) of door er zo min mogelijk van te gebruiken (biologische landbouw). De geïntegreerde landbouw probeert verbruik en emissies van inputs te minimaliseren met behoud van inkomen. De biologische landbouw poogt natuurlijke processen zoveel mogelijk te benutten en gebruikt geen kunstmest, chemische bestrijdingsmiddelen en genetisch gemodificeerde planten. De opbrengsten (in kilogram product) in de biologische landbouw liggen lager dan in de overige landbouw. In 2004 werd op 2,5% van de landbouwgrond biologisch geboerd. Op de overige grond passen boeren dikwijls maatregelen uit de geïntegreerde landbouw toe. Er zijn grote verschillen tussen individuele bedrijven, zodat niet bij voorbaat is te zeggen welke vorm van landbouw het meest milieuvriendelijk is. Bovendien hangt het af van waar je naar kijkt. De biologische landbouw is gunstig voor het bodemleven en heeft een lage emissie van resten van bestrijdingsmiddelen, maar neemt meer ruimte (land) in beslag door de doorgaans lagere gewasopbrengsten.

Wordt de Nederlandse landbouw duurzaam?

De Nederlandse landbouw ontwikkelt zich in een duurzame richting. Sinds 1990 is er een afname van de belasting van de bodem met stikstof, fosfaat en zware metalen, en van de milieudruk door bestrijdingsmiddelen en ammoniakemissies. Hierdoor kwam er minder nitraat in het grondwater, minder schadelijke stoffen in het oppervlaktewater en minder stikstofdepositie op natuur. De doelen voor algemene milieukwaliteit zijn echter nog niet op alle plekken gehaald. De glastuinbouw heeft de afgelopen twee decennia het energiegebruik per eenheid product bijna weten te halveren.

De landbouw staat meer open voor de wensen van de samenleving. De ambitie van de landbouw is vooral toegenomen voor onderwerpen die het imago sterk beïnvloeden, zoals voedselveiligheid, besmettelijke dierziekten en dierenwelzijn. De ambitie om milieudoelen te halen die voor de lange termijn gelden is niet toegenomen, doordat het beleid hiervoor weinig nieuwe impulsen gaf en door onzekerheden en onduidelijkheden in het beleid.

Wat zijn de milieu-effecten van de veehouderij?

Het gebruik van kunstmest en dierlijke mest kunnen leiden tot vervuiling van grond- en oppervlaktewater met nitraat en fosfaten. De ammoniakemissie uit bemesting, stallen en mestopslagen komt deels terecht op natuurgebieden wat leidt tot vermindering van biodiversiteit. De totale stikstofdepositie bestaat voor 70% uit ammoniak, vooral uit de veehouderij. De veehouderij is daarnaast goed voor circa 11 procent van de nationale broeikasgasemissies, vooral de emissie van lachgas (met name uit bemesting) en methaan (uit mestopslagen en koeienmagen). De milieudruk van de veehouderij is gedaald. Zo gebruikte de landbouw (vooral de veehouderij) – in 2008, vergeleken met 2000 – 24 procent minder stikstof- en 40 procent minder fosfaatkunstmest; de bemesting met dierlijke mest daalde met 8, respectievelijk 15 procent.

Wereldwijd is het landgebruik voor graslanden en akkers voor de productie van veevoeders een belangrijk thema. De mondiale veehouderij is tot nu toe verantwoordelijk voor circa 30 procent van het biodiversiteitsverlies op land, vooral door verandering van de oorspronkelijke, natuurlijke begroeiing in bouwland (voor veevoerproductie) en weidegrond. Ook de productie van mengvoeders voor de Nederlandse veehouderij draagt hieraan bij, door de import van veevoergrondstoffen. Ongeveer eenderde van de gebruikte grondstoffen is echter bijproduct uit de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie.

Welke effecten heeft de veehouderij voor de volksgezondheid?

Waar dieren en mensen in elkaars omgeving leven, nemen ze ziektekiemen van elkaar over. Vóórkomen en ernst verschillen per ziekte.

Het vaakst komen infecties met de bacteriën Salmonella en Campylobacter voor, door het eten van besmet en onvoldoende hygiënische bereiding van vlees en eieren. De kans op ernstige gezondheidsschade is gering, behalve bij patiënten met een verminderde weerstand. De Staat van zoönosen van het RIVM meldt dat in Nederland jaarlijks enkele tientallen mensen hierdoor overlijden. Ter vergelijking: de meest recente besmetting met de Q-koorts-bacterie (uit de geitenhouderij) heeft tot nu toe twaalf mensen het leven gekost.

Mensen kunnen antibiotica-resistente bacteriën overnemen van dieren, via voedsel of contact met dieren. Bacteriën kunnen resistentie ontwikkelen als neveneffect van het gebruik van antibiotica om dierziekten te bestrijden. De resistentie is het hoogst bij dieren die voor de vleesproductie worden gehouden: vleeskuikens, vleeskalveren en vleesvarkens. Het risico voor de volksgezondheid is dat resistente bacteriën kunnen veranderen in meer virulente of aan de mens aangepaste varianten of hun resistentie overdragen aan andere bacteriën. Omdat voor dieren grotendeels dezelfde antibiotica worden gebruikt als voor mensen vormt resistentie een risico voor de volksgezondheid.

De inademing van fijn stof uit stallen kan schadelijk zijn voor de gezondheid. Het gaat om huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes die toxische stoffen kunnen bevatten, zoals (organisch materiaal uit) pollen, sporen, virussen en bacteriën. Omdat nog onvoldoende bekend is óf en in welke mate dit fijn stof de gezondheid van de Nederlandse bevolking aantast, is in 2009 onderzoek gestart naar de relatie tussen intensieve veehouderij en gezondheid.

Zijn er verbeteringen zichtbaar qua dierenwelzijn?

De voortschrijdende Nederlandse en EU-regelgeving heeft bijgedragen aan verbeterde levensomstandigheden voor de dieren. Er zijn eisen gesteld aan vloeren, voeding, hygiëne en het mengen van groepen dieren. Maar bovenal is de leefruimte per dier toegenomen:

Van de leghennen is in 2008 55% gehuisvest in scharrelsystemen (in plaats van legbatterijen), terwijl dat in 2000 nog een kwart was. De stijging komt onder andere door een toegenomen vraag uit Nederland en Duitsland – het wettelijke verbod op legbatterijen gaat pas vanaf 2013 in.

Voor vleeskuikens worden in 2010 normen van kracht, die leiden tot een grotere leefruimte per dier.

Voor melkvee is er een ontwikkeling naar stallen met meer loopruimte en ligcomfort. Daar staat tegenover dat er een trend is naar minder weidegang, van 90% in 2001 naar 80% weidegang in 2008.

De vleeskalveren zijn met ingang van 2004 in groepen gehuisvest.

Bijna de helft van de zeugen was in 2008 in groepen gehuisvest; in 2001 was dit naar schatting 15 à 20%.

Voor 30% van de vleesvarkens is in 2008 minstens 0,8 m2 leefruimte per dier beschikbaar, ten opzichte van de voorheen gebruikelijke 0,7 m2. Dit komt omdat nieuwe stallen al moeten voldoen aan de eisen van het Varkensbesluit, dat in 2013 verplicht wordt. De zogenoemde integraal duurzame stallen, momenteel goed voor 10% van de varkens, gaan uit van 1 m2 per dier.

Ondanks de verbeteringen zijn er nog ernstige vormen van gebrek aan dierenwelzijn. Nederland is hierin niet uniek. Ook andere landen kennen dit probleem omdat daar dikwijls dezelfde productiesystemen worden gebruikt.

Hoe heeft de diergezondheid zich de afgelopen decennia ontwikkeld?

De gezondheid van dieren is in de loop van de tijd in het algemeen verbeterd. Hoewel exacte meetgegevens ontbreken, zijn er diverse ontwikkelingen die daarop wijzen. Het risico op verspreiding van dierziekten door diertransporten tussen bedrijven is verminderd, omdat veehouderijen samenwerken met een beperkter aantal, vaste relaties. Merkervaccins en aangepaste regelgeving maken het mogelijk gezonde dieren te vaccineren bij uitbraken van besmettelijke ziekten, zodat ze niet hoeven te worden gedood. Een aantal besmettelijke dierziekten is uitgeroeid en BSE (de gekkekoeienziekte) is sterk teruggedrongen. Kwaliteitszorgsystemen van de verschillende sectoren hebben bijgedragen aan de diergezondheid, door controles op het vóórkomen van ziekten en naleving van hygiënevoorschriften. Tegenover de positieve ontwikkelingen staat dat de kans op uitbraken van nieuwe dierziekten groter wordt door toename van internationale diertransporten, klimaatverandering en groeiend toerisme.

Welke effecten hebben megastallen op de leefomgeving?

Er is maatschappelijke onrust over de voortgaande schaalvergroting in de veehouderij, vooral over de komst van megabedrijven. Deze zijn substantieel groter dan gezinsbedrijven, met een minimum bouwkavel uiteenlopend van 1,5 tot 3 hectare.

Op lokale schaal kan vestiging van megabedrijven leiden tot meer geurhinder, hogere concentraties fijn stof, aantasting van het landschap en een lichte stijging van ammoniakdepositie op nabijgelegen natuur. Maar op regionale en nationale schaal zal de kwaliteit van de leefomgeving juist verbeteren. Dat komt doordat de overheid een plafond heeft gezet op het aantal dieren, door middel van zogenoemde dierrechten. Uitbreiding en nieuwvestiging op de ene plek, betekent dus beëindiging op een andere plek. Vaak worden hierdoor milieutechnisch ongunstige situaties gesaneerd, dichtbij dorpskernen of natuur.

Bovendien zullen nieuwe megabedrijven vaker luchtwassers (moeten) toepassen, waardoor de nationale emissies sneller zal dalen (met twee procent voor ammoniak en vier procent voor fijn stof uit stallen in 2020).

Het belangrijkste aandachtspunt is de gezondheid van omwonenenden en recreanten, in verband met de verspreiding van zoönosen (voor de mens besmettelijke dierziekten). Het RIVM stelt dat de risico’s van megabedrijven vermoedelijk groter zijn dan bij veehouderijen van gangbare grootte. Dit vraagt om extra maatregelen met betrekking tot afstanden tot andere bedrijven, stalontwerp, bedrijfsvoering, hygiëne en vakbekwaamheid van personeel.

Hoe kan de veehouderij verder verduurzamen?

De mondiale vraag naar dierlijke producten neemt toe, doordat de bevolking groeit en de welvaart stijgt. Voor de vermindering van negatieve effecten van de veehouderij wereldwijd zijn er vier belangrijke handelingsopties:

  1. verhoging van de gewasproductie door verbeterde rassen en efficiëntere inzet van inputs zoals water en kunstmest;

  2. verbetering van de voederconversie, dat wil zeggen minder voer per eenheid dierlijk product;

  3. voorkómen van omzetting van natuur in landbouwgrond, bijvoorbeeld door vorming van reservaten;

  4. minder dierlijke producten consumeren.

De vier handelingsopties leiden ertoe dat er minder natuur wordt omgezet in landbouwgrond.

Vergeleken met de veehouderij elders, is de Nederlandse veehouderij al behoorlijk efficiënt. Tegelijk is de concentratie van dieren hoog. Het accent ligt hier op andere problemen, zoals milieuvuiling en gebrek aan diergezondheid en dierenwelzijn. Ook is de kostprijs hoog ten opzichte van concurrenten buiten de EU. Voor de Nederlandse situatie ligt het voor de hand enerzijds regelgeving geleidelijk aan te scherpen en anderzijds markten voor duurzame producten te stimuleren, gericht op de Noordwest-Europese consument.

Hoe werkt het EU-beleid door in de Nederlandse landbouw?

De Nederlandse landbouw heeft met veel vormen van Europees beleid te maken. Dit zijn onder andere het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en het Europese milieubeleid (Nitraatrichtlijn, Kaderrichtlijn Water, NEC-richtlijn voor ammoniak). Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is vooral voor de akkerbouw en de melkveehouderij belangrijk. De komende jaren gaat dit beleid mogelijk sterk veranderen, onder andere vanwege de onderhandelingen in het kader van de Wereld Handels Organisatie (World Trade Organisation, WTO). Het Europese milieubeleid wordt steeds meer bepalend voor de Nederlandse landbouw.

Wat is het milieueffect van de herziening van het Europese Landbouwbeleid?

Kern van de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) in 2006 is dat de directe inkomenssteun grotendeels wordt ontkoppeld van de productie. Deze vorm van steun drijft de productie minder op dan voorheen. De inkomenssteun wordt bovendien afhankelijk van de naleving van normen (‘cross compliance’). De Nederlandse invulling van cross compliance is dat de boer moet voldoen aan wettelijke eisen in bestaande Europese richtlijnen en verordeningen. Behalve specifieke maatregelen op het gebied van bestrijding van erosie (herstel van terrassen, aanleg van windsingels) en organische stof (verbod op braakgelegde grond zonder gewas), zijn er nauwelijks aanvullende voorwaarden gesteld. De extra milieuwinst van cross compliance zal daardoor gering zijn. De inkomenssteun bedraagt in de melkveehouderij en de akkerbouw momenteel tussen de 40 en 50% van het boereninkomen. Cross compliance kan daarom in deze sectoren wel een hulpmiddel zijn bij de handhaving van bestaande wettelijke eisen.


In 2008 hebben de Europese landbouwministers afspraken gemaakt over tussentijdse hervormingen, de zogenoemde Health Check. Het melkquotum wordt geleidelijk verruimd (en afgeschaft in 2015) met als gevolg hogere emissies van ammoniak en broeikasgassen. Daarnaast is de afspraak dat lidstaten een deel van de huidige boerensteun gaan inzetten voor maatschappelijke doelen, zoals milieu, natuur, landschap en waterbeheer. Na 2013 vindt een volgende herziening plaats van het landbouwbeleid.

Heeft het gewasbeschermingsbeleid geleid tot winst voor het milieu?

De (berekende) milieubelasting van het oppervlaktewater door de landbouw is tussen 1998 en 2005 met 86% gedaald. Dit kwam vooral doordat telers emissiereducerende apparatuur zijn gaan gebruiken en er teeltvrije zones langs waterlopen zijn gekomen [alternatief: doordat telers op stroken land langs waterlopen geen gewassen verbouwen (teeltvrije zones)]. Hiermee is een van de doelen van de nota Duurzame gewasbescherming voor 2005 gehaald. Desondanks komt op ongeveer de helft van de meetlocaties overschrijding van het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR) voor. Het MTR is de minimale (beleids)ambitie voor de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater. Het aantal problemen met drinkwaterwinning uit oppervlaktewater is ook gedaald, als gevolg van het Nederlandse verbod op drie onkruidbestrijdingsmiddelen. De daling was echter onvoldoende om de beleidsdoelstelling voor 2005 uit de nota Duurzame gewasbescherming te halen. Een beperkt aantal stoffen zorgt voor de drinkwaterproblemen en de ecologische problemen in het oppervlaktewater. Extra beleid zou dus niet generiek moeten zijn, maar zich vooral moeten richten op een afgebakende groep probleemstoffen.

Is het voedsel onder invloed van het gewasbeschermingsbeleid veiliger geworden?

De normen voor residuen van bestrijdingsmiddelen op voedsel werden in 2005 in 2,5% van de gevallen overschreden, voor groenten en fruit geteeld in Nederland. In 2003 was dit nog 3,5%, maar het is te vroeg om te spreken van een trend.
Dat de residunormen minder vaak worden overschreden, wil nog niet zeggen dat het voedsel veiliger is geworden. De residunormen worden namelijk niet alleen vastgesteld op basis van volksgezondheidscriteria. Er mag ook niet meer residu worden aangetroffen in het voedsel, dan haalbaar is bij een goede landbouwpraktijk. In het algemeen is dit tweede criterium strenger dan het eerste criterium. Aan de andere kant gelden de residunormen slechts voor de combinatie van één stof en één voedingsmiddel, terwijl voor de volksgezondheid de dagelijkse consumptie telt van álle voedingsmiddelen. De EU erkent daarom dat het belangrijk is om de blootstelling aan verschillende stoffen op te tellen als deze stoffen dezelfde effecten hebben in het menselijk lichaam. In de evaluatie van de nota Duurzame gewasbescherming is de gesommeerde blootstelling voor het eerst geschat voor een groep van circa 35 stoffen die tegen insecten worden gebruikt. De resultaten hiervan suggereren een lagere blootstelling in 2005 vergeleken met 2003, maar de onzekerheid is groot doordat de residugehalten sterk variëren.

Heeft het gewasbeschermingsbeleid een negatieve invloed gehad op de concurrentiepositie van de landbouw?

Nederlandse telers stellen het Nederlandse toelatingsbeleid ervoor verantwoordelijk dat zij minder gewasbeschermingsmiddelen tot hun beschikking hebben dan hun collega’s in het buitenland. Vooralsnog is niet aangetoond dat dit daadwerkelijk zo is en of dit uiteindelijk invloed heeft op het economisch perspectief van de Nederlandse telers. De kosten van de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen blijken sinds 1998 niet of nauwelijks te zijn gestegen. Het vrijstellingenbeleid heeft een aantal gewasbeschermingsmiddelen (of toepassingen hiervan) die niet meer waren toegelaten, weer beschikbaar gemaakt. Hiermee draagt dit beleid in positieve zin bij aan het economisch perspectief voor de telers. De meerderheid van de telers is redelijk tevreden over het pakket aan gewasbeschermingsmiddelen dat zij mogen gebruiken. Alleen tuinders met gewassen die in Nederland maar op kleine schaal voorkomen, zijn ontevreden over de effectiviteit van het pakket aan gewasbeschermingsmiddelen. De overheid bepaalt het aantal middelen en de mogelijke toepassingen ervan echter maar deels. Voor de industrie is het vaak niet rendabel om middelen aan te bieden voor een kleine markt.

Kan Nederland in 2010 voldoen aan NEC-richtlijn voor ammoniak?

In de Milieubalans 2008 werd de kans op het halen van het NEC-emissieplafond (voor Nederland 128 kiloton ammoniak) als waarschijnlijk ingeschat. Door het uitstel van de uitvoering van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (emissieverhogend effect van dit uitstel: 3-9 kiloton) is de kans minder groot geworden dat dit emissieplafond wordt gehaald. De onzekerheidsmarge rondom de emissieramingen voor landbouw in 2010 is groot, en wordt geschat op circa 20%. Deze onzekerheid is het gevolg van onzekerheden over besluitvorming over het mest- en ammoniakbeleid en maatregelen door kabinet en Europese Commissie. De volgende factoren spelen hierbij een rol: het genoemde uitstel van het Besluit ammoniakemissie veehouderij, uitbreiding van het melkquotum, besluit over de derogatie, de ontwikkeling van de rundveestapel, de toename van de melkproductie per koe en het economisch perspectief van de landbouw.

Is generiek of gebiedsgericht beleid het meest effectief en doelmatig om milieudoelen voor ammoniak te bereiken?

Onder generiek ammoniakbeleid wordt verstaan een verzameling algemeen geldende maatregelen ter beperking van de ammoniakemissie uit stallen, uit mestopslagen en bij de aanwending. Onder gebiedsgericht ammoniakbeleid wordt momenteel vooral het verplaatsen of beperken van ammoniakemissies uit landbouwbedrijven binnen zones van 250 tot 500 meter rondom natuurterreinen verstaan. De achtergrondsdepositie van stikstof is momenteel zo hoog dat voor 80% van de natuurgebieden het gewenste niveau nog wordt overschreden. Ammoniakzonering (van landbouw ten opzichte van natuur) draagt gemiddeld nauwelijks bij aan de verbetering van de milieukwaliteit, maar in bepaalde lokale situaties kan het erg effectief zijn. In het algemeen zijn generieke maatregelen kosteneffectiever dan gebiedsgerichte maatregelen om de stikstofdepositie op natuurgebieden te reduceren.

Kan Nederland in 2009 voldoen aan de Nitraatrichtlijn van de Europese Unie?

In 2009 niet, maar voor 2015 waarschijnlijk wel. Nederland heeft met de Europese Commissie afgesproken dat in 2009 het grondwater in zandgebieden – gemiddeld - zal voldoen aan de doelstelling van 50 mg/l. Over de exacte interpretatie van deze afspraak tussen de Commissie en de Nederlandse overheid bestaat nog enige onduidelijkheid. De wetenschappelijke onderbouwing van de stikstofgebruiksnormen in 2009, zoals die is opgenomen in het voorstel van wijziging van de Meststoffenwet, is zo dat voor alle combinaties van gewas, bodem en grondwaterklasse bij evenwicht voldaan wordt aan 50 mg/l. In 2002 lag de gemiddelde nitraatconcentratie in het zandgebied nog op 90 mg/l. De doorwerking van de gebruiksnormen in 2009 naar een daling van de nitraat naar 50 mg/l zal echter een aantal jaren vergen door naijling van bodemprocessen. Dit uitstel van het bereiken van het doel is geen fundamenteel probleem, maar moet wel tijdig en helder gerapporteerd worden. Bij de implementatie van de door wetenschap afgeleide gebruiksnormen in het beleid en bij uitvoering van het beleid door de landbouwsector kunnen verdere complicaties optreden. Het bereiken van het doel in 2009 is hierdoor onzeker. Deze aspecten worden momenteel onderzocht. In het huidige voorstel voor wijziging van de Meststoffenwet wordt het stikstofgebruik voor droog en nat zand gemiddeld tot één generieke norm voor zand. Dit betekent dat de nitraatnorm onder droog zand blijvend zal worden overschreden. De cruciale vraag hierbij is of met een gemiddelde nitraatconcentratie in het bovenste grondwater van het zandgebied van 50 mg/l in grond- en oppervlaktewater voldoende bescherming tegen eutrofiëring geboden wordt, zoals beoogd in de EU-Nitraatrichtlijn.

Wat zijn de gevolgen van de aanscherping van de gebruiksnormen voor stikstof en fosfaat voor de landbouw?

De belangrijkste consequentie is dat hiermee de afzetruimte voor dierlijke mest kleiner wordt. De kosten voor afzet en verwerking van dierlijke mest voor de veehouderij zullen daardoor toenemen. In de akker- en tuinbouw leeft de zorg dat hierdoor de organischestofvoorziening onvoldoende wordt en dat gewasopbrengsten zullen afnemen. Op dit moment zijn er geen aanwijzingen uit onderzoek dat deze nadelige effecten inderdaad zullen optreden. Een belangrijke reden hiervoor is dat momenteel de fosfaattoestand van het leeuwendeel van het akkerbouwareaal zeer hoog is.

Wat is de ecologische schade door de overmatige stikstof- en fosfaatemissie?

De verhoogde fosfaatconcentraties leiden tot algen- en kroosbloei in het zoete oppervlaktewater. Hierdoor worden de van nature voorkomende waterplanten en –dieren verdrongen. Bovendien leidt waterbloei tot extra waterbeheerskosten. Bloei van blauwalgen veroorzaakt gezondsheidsklachten, waardoor regelmatig zwemverboden worden ingesteld. Slechts een klein deel van de fosfaatverliezen uit de landbouw belast het oppervlaktewater. Het leeuwendeel hoopt zich op in de landbouwgronden. Hierdoor reageert het oppervlaktewater zeer traag op vermindering van de fosfaatbemesting. Verhoogde stikstofconcentraties leiden in het zoete oppervlaktewater tot verruiging van oevers, wat blijkt uit het massaal voorkomen van brandnetel en braam. Verhoogde stikstofafvoer naar de Noordzee veroorzaakt bloei van zogenaamde, plaagalgen en zuurstofloosheid.

Het Nitraatcomité heeft de Europese Commissie geadviseerd om het Nederlandse verzoek voor een derogatie van 250 kg/ha stikstof uit dierlijke mest te honoreren. Is deze derogatie slecht voor het milieu?

Nee, de derogatie heeft géén directe gevolgen voor de milieukwaliteit. Het effect van de derogatie op de nitraatconcentratie in het grondwater is klein, omdat de nitraatuitspoeling bepaald wordt door de gebruiksnorm voor de totale hoeveelheid werkzame stikstof uit dierlijke mest en kunstmest, terwijl de derogatie alleen stikstof uit dierlijke mest betreft. Derogatie in combinatie met wettelijk vastgelegde werkingscoëfficiënten is vooral een belangrijke voorwaarde om melkveehouders te stimuleren om de verbetering van de stikstofbenutting, die bereikt is onder MINAS, door te zetten. 

Derogatie heeft vooral gevolgen voor de verhouding tussen het gebruik van dierlijke mest en kunstmest. Een rekenvoorbeeld kan dit toelichten. Boeren mogen op gemaaid grasland op zand in 2009 340 kg/ha totale werkzame stikstof gebruiken. Aangezien stikstof uit dierlijke mest niet volledig werkzaam is, mogen boeren het gebruik van stikstof uit dierlijke mest vermenigvuldigen met zogenaamde werkingscoëfficiënten. Deze werkingscoëfficiënten zijn wetenschappelijk onderbouwd en wettelijk vastgelegd. In het voorbeeld bedraagt de wettelijk vastgelegde werkingscoëfficiënt 60%, zodat 250 kg/ha uit dierlijke mest overeenkomt met 150 kg/ha werkzame stikstof. Boeren mogen op gemaaid grasland dus nog 190 kg/ha stikstof uit kunstmest toedienen. Indien de melkveehouder de beperking in het gebruik van stikstof uit dierlijke mest niet volledig compenseert met kunstmest, zou een lagere derogatie tot een verlaging van het totale gebruik van stikstof hebben geleid. Dit raakt de kern van het belangrijkste bezwaar van de melkveehouderij tegen het nieuwe mestbeleid. Een harde gebruiksnorm voor stikstof uit dierlijke mest dwingt, met name de intensieve melkveehouderij, immers tot afvoer van dierlijke mest, terwijl ze vrij zijn om deze afvoer te compenseren met extra kunstmest. Vanuit het perspectief van de melkveehouderij leidt het nieuwe mestbeleid dus tot extra kostenposten, zonder een garantie van een lagere nitraatconcentratie in het grondwater. Met de huidige derogatie is het nadelig gevolg van deze inconsistentie beperkt en wordt een aanzienlijke kostenbesparing in de melkveehouderij bereikt.

Er is een kans dat extensieve melkveebedrijven, die geen derogatie nodig hebben om afvoer van eigen rundermest te voorkomen, deze toch gaan aanvragen. Hiermee hebben ze namelijk de mogelijkheid om rundermest van  melkveebedrijven met een stikstofoverschot aan te voeren. Als dit gebeurt, dan zou de stikstofbelasting vanuit deze bedrijven toenemen. Vooralsnog kan geen uitspraak gedaan worden over de grootte van deze kans. De voorlopige conclusie is dat de toename van deze kans niet opweegt tegen de beperking van de mestafzetkosten en behoud van draagvlak bij de boeren. Draagvlak is een van de voorwaarden om de stikstofbenutting op met name de zandgronden in de melkveehouderij verder te verhogen. Op deze wijze kunnen de nitraatconcentraties in het grondwater gemiddeld in 2009 dicht bij de 50 mg/l komen en kan tegelijkertijd de huidige hoge productie van gras en melk te gehandhaafd blijven. Mocht de afname van de nitraatconceentratie tussen nu en 2009 echter tegenvallen, dan wordt behoud van de huidige derogatie na 2009 lastig.

Wat is de bijdrage van de Nederlandse landbouw aan de fosfaatbelasting van het oppervlaktewater?

In 2002 was de bijdrage van de landbouw aan de fosfaatbelasting van de regionale wateren (meren, beken en sloten) circa 60%. De bijdrage aan de belasting van de grote rivieren (Rijn, Maas en Schelde) is maar 20%. Dit komt door de grote bijdragen uit Duitsland, Frankrijk en België. De bijdrage van de landbouw wordt vooral veroorzaakt door het uitspoelen van het in landbouwbodems opgehoopte fosfaat. Deze bijdrage is dus niet zozeer gerelateerd aan de huidige bemesting, maar vooral aan de historische ophoping. Deze zogenaamde diffuse belasting van het oppervlaktewater kan alleen met modellen worden afgeleid.

Waarom past Nederland de 50 mg/l norm voor nitraat in drinkwater toe op het bovenste grondwater?

Nederland heeft in 1998 aan de Europese Commissie gemeld dat ze de nitraatdoelstelling zal realiseren in het nieuw gevormde grondwater. Dit is in de praktijk het bovenste grondwater. Hiermee geeft Nederland maximaal invulling aan het voorzorgsprincipe voor drinkwaterbescherming. Het ontwerp EU-richtsnoer voor monitoring van nitraat spreekt over de bovenste vijf meter van het grondwater. Nederland kiest voor een strenge invulling door monitoring in de bovenste meter, omdat hiermee effecten van maatregelen snel zichtbaar zijn. Bovendien anticipeert Nederland hiermee ook op bescherming van het oppervlaktewater volgens de EU Kaderrichtlijn Water. De nog vast te stellen kwaliteitsdoelen in deze richtlijn zullen waarschijnlijk strenger zijn dan de nitraatdoelstelling voor grondwater.

Waar vindt de teelt van biobrandstoffen plaats?

Bij grootschalige toepassing van biobrandstoffen in Nederland zal de teelt van biobrandstofgewassen in hoofdzaak buiten Nederland en waarschijnlijk deels buiten Europa plaatsvinden. Voor de verbetering van de ‘vitaliteit van het platteland’ in Nederland is het stimuleren van biobrandstoffen daarom geen effectief beleid.

In een zeer recent onderzoek van het Landbouw Economisch Instituut is geconcludeerd dat alternatieven voor koolzaad in Nederland meer opbrengen dan het telen van koolzaad, ook indien er een accijnsvrijstelling wordt gegeven voor biobrandstoffen. Deze conclusie geldt niet alleen onder de huidige marktomstandigheden, maar ook onder het nieuwe EU-landbouwbeleid. In andere Europese landen, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, zijn voor agrariërs niet altijd hoger renderende alternatieven aanwezig, waardoor het telen van biobrandstofgewasssen daar wel zal plaatsvinden. 
Natuurlijk zijn er in Nederland in individuele gevallen wel mogelijkheden om biobrandstoffen rendabel te telen, maar voor de Nederlandse agrarische sector als geheel wordt geen toekomst in biobrandstoffen gezien.

Is de grootschalige teelt van biobrandstoffen altijd duurzaam?

Duurzaamheidsrisico's

Grootschalige teelt van biobrandstoffen brengt risico’s met zich mee. Door concurrentie met ruimtegebruik voor voeding en natuur bestaan er risico’s voor ontbossing, landdegradatie en afname van biodiversiteit. Ook de sociaal-economische omstandigheden kunnen daardoor in bepaalde herkomstregio’s van biobrandstoffen verslechteren.

Kansen voor duurzaamheid

De productie van biobrandstoffen kan – onder de juiste randvoorwaarden – ook leiden tot extra economische kansen in de herkomstregio’s. Voor een aantal Europese landen is het stimuleren van de eigen landbouw een reden om biobrandstoffen voor transport te stimuleren.

Het is voorstelbaar dat stimulering van de huidige generatie biobrandstoffen bijdraagt tot introductie van de beoogde betere (2e) generatie biobrandstoffen op de lange termijn. Om een dergelijke ontwikkeling te stimuleren zouden direct eisen moeten worden gesteld aan de (toekomstige) gewenste milieu-effectiviteit van biobrandstoffen voor vervoer. Met name gaat het dan om eisen aan de CO2-emissiereductie over de gehele keten van teelt en productie tot gebruik.

Maar... garanties zijn niet te geven

Er is een wens om bij het stimuleren van biobrandstoffen in Nederland te garanderen dat dit niet leidt tot afwenteling van mogelijke negatieve gevolgen naar de herkomstregio’s. We constateren dat deze - op zich sympathieke - wens nog moeilijk is te implementeren. Dit komt deels door Europese markt- en/of WTO-regels. Daarnaast bestaan er nog geen eenduidige en internationaal erkende garantie- of certificeringssystemen voor biobrandstoffen.

Natuurlijk is het wel gewenst om te streven naar ontwikkeling van dergelijke internationale systemen en afspraken. Binnen de EU kan Nederland een dergelijk systeem niet alleen opzetten. Andere landen, zoals Duitsland, en de EU-Commissie vinden het ook belangrijk om niet-duurzame neveneffecten van het gebruik van biobrandstoffen te voorkomen. Internationale samenwerking op dit punt is daarom benodigd.