Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de subnavigatieNaar de hoofdinhoud

Veelgestelde vragen

Luchtverontreiniging en verzuring

Fijn stof

Stikstofdioxide

Wat is luchtverontreiniging?

Sommige vormen van luchtverontreiniging kunnen dagen - en soms zelfs nog langer - in de atmosfeer verblijven. In een dergelijke tijd kan deze luchtverontreiniging afstanden van duizenden kilometers afleggen. Daarom wordt in dit geval ook wel gesproken van grootschalige of grensoverschrijdende luchtverontreiniging. Stoffen die onder grootschalige luchtverontreiniging vallen zijn zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx, de verzamelnaam van stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2))en stofvormige luchtverontreiniging. Tot het laatste behoren onder andere fijn stof, zware metalen, persistente organische stoffen (Persistent Organic Pollutants, POP) en Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK).

Beleidsmatig worden naast de hierboven genoemde stoffen ook vluchtige organische stoffen (VOC), ammoniak (NH3) en ozon (O3) ook hiertoe gerekend. Dit komt, omdat deze stoffen eveneens betrokken zijn bij het atmosferisch-chemische gedrag van de andere stoffen.

Wat is verzuring?

Verzuring is het zuurder worden van het milieu door atmosferische (verzurende) depositie. De aanwezigheid van verzurende stoffen in de atmosfeer is het gevolg van emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx, de verzamelnaam van stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2)) en ammoniak (NH3). Deze stoffen hebben deels zelf verzurende eigenschappen. Ook worden zij in de lucht omgezet en reageren zij met elkaar tot andere verzurende stoffen. Droge en natte depositie zijn de processen die ertoe kunnen bijdragen dat stoffen uit de atmosfeer verwijderd worden. Droge depositie is het directe transport vanuit de atmosfeer naar bodem, vegetatie of water. Natte depositie gebeurt door neerslag. Beide processen leiden tot transport van verzurende stoffen naar het aardoppervlak: de verzurende of zure depositie.

Meer informatie

Wat is potentieel zuur?

De mate van verzuring wordt in Nederland uitgedrukt in zogenoemd potentieel zuur. Potentieel zuur is gedefinieerd als de maximale verzuring, die zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak en hun omzettingsproducten in bodem en water teweeg kunnen brengen. De daadwerkelijke verzuring in bodem en water kan lager zijn. Deze hangt af van een aantal processen en van de opname van de stoffen door planten.

Het vermogen van een stof om verzurend te werken, wordt meestal uitgedrukt in zuurequivalenten per hectare (z-eq/ha). Een zuurequivalent is een maat voor de hoeveelheid zuur (H+ in mol/ha) die kan ontstaan in bodem of water. Hierbij geldt: 1 mol zwaveldioxide levert 2 mol zuur, 1 mol stikstofoxiden levert 1 mol zuur en 1 mol ammoniak levert 1 mol zuur.

Er is soms verwarring over de verzurende werking van ammoniak. In de atmosfeer werkt ammoniak zuurneutraliserend. Komt ammoniak (of het omzettingsproduct ammonium) echter in de bodem dan kan het omgezet worden in salpeterzuur. Er is dan alsnog een verzurend effect.

Wat is vermesting?

Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen met stikstof (en fosfor). Dit gebeurt voornamelijk via het op het land brengen van dierlijke mest en kunstmest. Deze 'verrijking' kan leiden tot nadelige effecten voor ecosystemen en volksgezondheid. Stikstof (en fosfor) worden vooral door de landbouw en de rioolwaterzuiveringsinstallaties in het milieu gebracht.

De groei in veel natuurlijke ecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van meerdere andere. Hierdoor neemt de biodiversiteit af. Vergrassing van heide en bossen en het oprukken van bramen en brandnetels zijn herkenbare voorbeelden van de gevolgen van vermesting.

De stikstof (en fosfor) die als meststof op het land wordt gebracht, kan in het oppervlaktewater terecht komen. Ook hier kan de samenstelling van de vegetatie door deze ‘verrijking’ veranderen. De natuurlijke ecosystemen in het water worden vooral door de afspoeling van fosfor bedreigd.

Ook in de Noordzee treedt vermesting op. Sinds 1980 verbetert de situatie. De aanvoer van fosfor is echter sterker afgenomen dan die van stikstof. Daardoor is de verhouding stikstof ten opzichte van fosfor in het naar zee afgevoerde water hoger geworden. Dit heeft een ongunstig effect op de soortensamenstelling van het fytoplankton (algen). Ook neemt hierdoor de kans op bloei van giftige algensoorten toe. Atmosferische depositie draagt in de kustzone relatief weinig bij aan de belasting met vermestende stoffen. Verder op zee wordt de atmosferische depositie van stikstof wel belangrijk.

Wat zijn de effecten van grootschalige luchtverontreiniging?

Grootschalige luchtverontreiniging is vooral een luchtkwaliteitsprobleem. Dit betekent dat stoffen die eraan bijdragen, soms in ongewenst hoge concentraties kunnen voorkomen. Dit kan leiden tot gezondheidseffecten. Dit geldt vooral voor ozon (O3) en fijn stof (PM10). Daarnaast is er nog stikstofdioxide (NO2). Deze stof is zelf bij de huidige concentraties in de buitenlucht niet zo schadelijk, maar wordt gebruikt als indicator voor verkeersgerelateerde luchtverontreiniging. Dit laatste wordt wel als schadelijk beschouwd. De meer klassieke luchtverontreiniging, zoals zwaveldioxide (SO2) en koolmonoxide (CO), vormt in Nederland al lang geen probleem meer. De luchtconcentraties ervan zijn de afgelopen decennia drastisch afgenomen. Zwaveldioxide draagt wel nog in belangrijke mate bij aan de vorming van fijn stof.

Wat zijn de effecten van verzuring en vermesting?

Overmatige depositie van zuur leidt tot een verandering van de soortensamenstelling in vegetaties en tot een achteruitgang van de biodiversiteit. De ecologische effecten van vermesting door stikstof zijn echter belangrijker geworden dan de verzurende effecten van zwavel en stikstof. Veel natuurlijke ecosystemen zijn stikstofgelimiteerd. Het gevolg is dat extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Meestal neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van meerdere andere, zodat de biodiversiteit afneemt. Aquatische ecosystemen zijn vaak fosfor gelimiteerd en is fosforverrijking de oorzaak van biodiversiteitsverlies. Vergrassing van heide en bossen, kroos- en algenbloei zijn herkenbare voorbeelden van de gevolgen van vermesting.

Nederland heeft zich verplicht de biodiversiteit van daartoe aangewezen natuurgebieden te handhaven (Natura 2000, Vogel en Habitatrichtlijn, VHR). De stikstofdepositie zal voorlopig een van de belangrijkste beperkende factoren voor biodiversiteit in Nederland blijven. Het beleid richt zich daarom op het terugdringen van de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden. Naast de overmatige stikstofbelasting vormen ook verdroging, klimaatverandering, versnippering en de schaalvergroting in de landbouw een bedreiging voor de biodiversiteit.

De effecten van verzurende stoffen zijn overigens niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt. Vermesting wordt tegenwoordig als een groter probleem gezien dan verzuring.

Wat zijn de belangrijkste bronnen van grootschalige luchtverontreiniging en verzurende stoffen?

De belangrijkste bronnen zijn landbouw, verkeer en de industrie.

  • De landbouw draagt voor meer dan 90% bij aan de emissie van ammoniak in Nederland. De belangrijkste emissiebronnen zijn veestallen, toediening van dierlijke en kunstmest, beweiding en mestopslag.
  • Het verkeer is de belangrijkste bron van stikstofoxiden, met in 2002 een bijdrage van meer dan 65% aan de emissie in Nederland. De industrie- en de energiesector zijn andere belangrijke bronnen.
  • De industrie stoot het meeste zwaveldioxide uit. Ongeveer de helft van de emissie komt voor rekening van deze bron. Zwaveldioxide komt hoofdzakelijk vrij bij verbranding van kolen en olie.
  • De uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOCs) is vooral afkomstig van verkeer en industrie.

Waarom zijn grootschalige luchtverontreiniging en verzuring één beleidsthema?

De stoffen die bijdragen aan grootschalige luchtverontreiniging en verzuring zijn gedeeltelijk dezelfde. Ook zijn er bronnen die aan beide problemen een bijdrage leveren. Bovendien hebben de stoffen die verzuring en grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken, vergelijkbare effecten op ecosystemen en de volksgezondheid. Het is niet mogelijk om deze effecten te onderscheiden naar hun oorzaak: verzuring (zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak) respectievelijk luchtverontreiniging (vluchtige organische stoffen). Het milieubeleid behandelt ze daarom onder één noemer.

Welke maatregelen zijn er genomen?

In internationaal verband hebben 31 landen, waaronder alle EU-lidstaten, in het zogenoemde Gothenburg Protocol afspraken gemaakt over emissieplafonds voor 2010. Op 23 oktober 2001 zijn de EU-lidstaten nationale emissieplafonds overeengekomen in de National Emission Ceilings Directive (NEC-richtlijn). De Nederlandse doelstellingen zijn vastgelegd in het vierde Nationaal Milieubeleidsplan. Dit zijn inspanningsverplichtingen, die scherper zijn gesteld dan wat er internationaal is afgesproken. De reden hiervan is om een veiligheidsmarge op te bouwen bij tegenvallers.

Waarom zijn de bossen niet dood?

De grootschalige aantasting van bossen werd in de jaren tachtig van de vorige eeuw aanvankelijk als een van de grootste gevaren van de verzuring (‘zure regen’) gezien. De berichten over stervende bossen in Duitsland (‘Waldsterben’) hebben de (Nederlandse) overheid gestimuleerd tot het nemen van maatregelen om de emissies van verzurende stoffen terug te dringen. De vitaliteit van het Nederlandse bos lijkt hierdoor enigszins verbeterd.

In dezelfde perioden werden nog vele honderden hectaren grove den en Corsicaanse den gekapt vanwege schimmelziekten. Deze ziekten, die veroorzaakt werden door te hoge stikstofbelasting, zijn sinds 2000 sterk in intensiteit en frequentie afgenomen. Ook de gele verkleuring in de winter van dennennaalden, een indicator voor een slechte vitaliteit, komt momenteel in veel mindere mate voor dan in de jaren tachtig.

Overigens kan op de lange termijn – in de orde van 200 jaar - bij de huidige emissieniveaus het bos alsnog te gronde gaan aan vergiftiging door aluminium. Dit aluminium komt in sterk verzuurde bodems in hoge concentraties vrij als het zogenoemde zuurneutraliserend vermogen van de bodem opgebruikt is. Overigens is later gebleken dat bomen niet de meest gevoelige soorten voor de effecten van verzuring en vermesting waren. Bovendien bleken de kritische depositieniveaus voor bomen hoger te liggen dan eerst gedacht.

Wat is fijn stof?

Fijn stof is een vorm van deeltjesvormige luchtverontreiniging. Fijn stof is een complex mengsel van deeltjes van verschillende grootte en van diverse chemische samenstelling. Een veel gebruikte afkorting voor fijn stof is PM. PM staat voor de Engelse term Particulate Matter. Afhankelijk van de doorsnede van de stofdeeltjes wordt gesproken van PM10 voor deeltjes met een doorsnede tot 10 micrometer (µm) of van PM2,5 voor deeltjes met een doorsnede tot 2,5 micrometer. PM10 (PM2,5) is in goede benadering de massa van de deeltjes met een diameter tot 10 (2,5) μm of minder. Deeltjes met een diameter onder de 10 µm dringen bij inademing in de longen door.

Fijn stof is in chemisch opzicht geen eenduidig en eenvoudig begrip. Belangrijke bestanddelen zijn bodemstof, zeezout en van antropogene, dat wil zeggen door menselijk handelen veroorzaakte, emissies afkomstige bestanddelen. Bij het laatste gaat het aan de ene kant om stoffen uit directe emissies, de zogenaamde primaire emissies. Aan de andere kant zijn het stoffen die in de atmosfeer zijn ontstaan uit onder andere zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3), het zogenaamde secundair aërosol. Daarnaast kunnen in geringere mate nog andere bestanddelen aanwezig zijn, zoals zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK).

Waarom is fijn stof een probleem?

Deeltjes kleiner dan 10 micrometer (µm) dringen bij inademing door in de luchtwegen. Fijn stof in de lucht kan daardoor leiden tot gezondheidsklachten en zelfs tot vroegtijdige sterfte. Epidemiologische studies wijzen uit dat in Nederland jaarlijks 2300 tot 3500 mensen vroegtijdig overlijden aan alleen al de acute gevolgen van blootstelling aan fijn stof. Op basis van de langetermijneffecten van chronische blootstelling aan fijn stof zouden in Nederland mogelijk zelfs 12.000 tot 24.000 mensen jaarlijks vroegtijdig overlijden.

De Europese Unie heeft in 1999 twee luchtkwaliteitsnormen voor fijn stof (PM10) vastgesteld: een grenswaarde voor jaargemiddelde en een grenswaarde voor daggemiddelde fijnstofconcentraties. Internationaal geaccepteerde inzichten over de gezondheidseffecten van fijn stof, waaronder die van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), zijn in deze regelgeving vervat. De grenswaarden gelden Europabreed en zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving.

De toetsing of voldaan wordt aan de grenswaarden, gebeurt onder andere aan de hand van metingen van de fijnstofconcentraties. Deze metingen vinden plaats op een door de Europese Unie voorgeschreven wijze. Uit de metingen blijkt dat in Nederland in beperkte mate overschrijding van de grenswaarde voor jaargemiddelde fijnstofconcentraties plaatsvindt. De grenswaarde voor daggemiddelde concentraties wordt daarentegen op grotere schaal overschreden.

De samenstellende deeltjes van fijn stof hebben, afhankelijk van de grootte, een atmosferische verblijftijd in de orde van dagen tot weken. Daardoor kan fijn stof zich over afstanden van duizenden kilometers verplaatsen en is fijn stof een probleem op continentale schaal.

Waar komt al dat fijn stof vandaan?

Uit modelberekeningen blijkt dat bijna de helft van de fijnstofbestanddelen van antropogene herkomst is (i.e. ontstaan door menselijk toedoen). Hiervan is tweederde deel afkomstig uit buitenlandse bronnen en eenderde deel komt uit Nederland zelf. Hieruit volgt dat (minimaal) 15% van de totale fijnstofconcentraties met Nederlands beleid beïnvloedbaar is. De andere helft bestaat grotendeels uit bijdragen van zeezout, bodemstof, de achtergrond op het noordelijke halfrond en niet bekende en mogelijk verkeerde gemodelleerde antropogene bronnen.

In stedelijke gebieden in straten kan de nationale, antropogene bijdrage oplopen tot 45% van de totale concentratie. Dit wordt vooral door het (lokale) verkeer veroorzaakt.

Anorganische secundaire bestanddelen. Dit betreft hoofdzakelijk sulfaat- (SO4), nitraat-(NO3) en ammonium-(NH4)-aërosol. Deze stofdeeltjes worden in de atmosfeer gevormd uit de gassen zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3). De bijdrage van deze bestanddelen aan de jaargemiddelde concentratie is 35%. 

Koolstofbevattende bestanddelen. Dit betreft vooral elementair koolstof en organische verbindingen. Hieronder vallen ook roet en Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) . Deze stofdeeltjes worden voor het grootste deel direct in de atmosfeer uitgestoten. De bijdrage van deze bestanddelen is 20%.

Zeezout. Zeezout bestaat voornamelijk uit natriumchloride (‘keukenzout’) met kleinere bijdragen van magnesium-, calcium-, en kaliumverbindingen. Zeezoutaërosol is van natuurlijke oorsprong en ontstaat in de lucht wanneer de wind over het zeewateroppervlak blaast. Gemiddeld over Nederland is de massabijdrage van zeezout 15%.

Oxiden van metalen en silicium. Dit betreft voornamelijk oxiden van silicium, aluminium, calcium, ijzer, en kalium. Grotendeels kan dit worden toegeschreven aan opwaaiend bodemstof. Dit bodemstof komt voornamelijk in de lucht door menselijke activiteiten. De totale bodemstofconcentratie is in de orde van 15% gemiddeld over Nederland.

Water. Bestanddelen van fijn stof, vooral anorganische secundaire bestanddelen, kunnen chemisch gebonden water bevatten. De bijdrage van chemisch gebonden water wordt geschat op 15% van de totale fijnstofconcentratie.

Hebben andere landen ook een fijnstofprobleem?

Nederland is niet het enige land waar verhoogde fijnstofconcentraties voorkomen. De verspreiding van fijn stof is een grootschalig verschijnsel. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de situatie in Duitsland, waar in een groot aantal stedelijke gebieden overschrijding van de grenswaarde voor het daggemiddelde optreedt.

Een bron van informatie over de luchtkwaliteit voor fijn stof in de landen van de Europese Unie vormt AIRBASE, de database met luchtkwaliteitsgegevens van het European Topic Centre on Air and Climate Change (ETC/ACC) van het European Environment Agency (EEA). Ook hieruit blijkt dat overschrijdingen van beide grenswaarden op ruime schaal voorkomen, zij het dat ook hier aanzienlijk meer overschrijdingen van de grenswaarde voor het daggemiddelde optreden. Bovendien blijkt uit de gegevens in AIRBASE dat de overschrijdingen zich concentreren op stedelijke stations. Dit zijn bij uitstek de meetstations die sterk door lokale bronnen beïnvloed worden.

Een zelfde beeld komt naar voren uit de verplichte jaarlijkse rapportage van de lidstaten van de Europese Unie aan de Europese Commissie: in veel delen van België, Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk komen overschrijdingen van de grenswaarden voor.

Hoe wordt fijn stof gemeten?

Voor de meting van fijn stof is in de eerste dochterrichtlijn voor de luchtkwaliteit een referentiemethode vastgelegd waarbij het stof in de lucht op een filter wordt opgevangen en waarbij vervolgens door weging de massa wordt bepaald. Deze methode is echter bewerkelijk. Volgens de richtlijn is het ook toegestaan om een alternatieve methode voor de meting te gebruiken mits kan worden aangetoond dat de resultaten voldoende vergelijkbaar zijn met de referentiemethode. De meeste gebruikte alternatieve methoden zijn de ß-stofmethode en de TEOM.

De ß-stofmethode maakt gebruik van ß-deeltjes voor de meting. Deze worden verzwakt als ze door vaste stoffen worden gestuurd. De zogenaamde ß-stofmonitor gebruikt een filterband waardoorheen ß-deeltjes worden gestuurd. De ß-deeltjes worden gemeten voor en na de belading van de filter met stof. De mate van verzwakking is een maat voor de hoeveelheid stof op het filter en daarmee voor de stofconcentratie in de lucht. De gehele cyclus van nulmeting, monsterneming en meting is geautomatiseerd.

TEOM staat voor Tapered Element Oscillating Microbalance. Deze methode gebruikt een spits toelopend glaselement waarop zich een filter bevindt. Dit element oscilleert (‘trilt’) met een karakteristieke frequentie. Belading van het filter met stof leidt tot een verandering van de trillingsfrequentie. De mate van verandering is een maat voor de hoeveelheid stof op het filter en daarmee van de stofconcentratie in de lucht. De gehele cyclus van nulmeting, monsterneming en meting is ook bij deze methode geautomatiseerd.

Hoe wordt de luchtkwaliteit voor fijn stof in Nederland vastgesteld?

De methodiek om voor iedere willekeurige plaats in Nederland de fijnstofconcentratie te berekenen kan worden onderverdeeld in drie stappen.

Stap 1. De berekening van de achtergrondconcentratie. Dit is de berekening van de achtergrondconcentratie (in regionaal en stedelijk gebied) met het rekenmodel OPS. Hierbij worden bronbijdragen in heel Europa meegenomen. De primaire en secundaire fracties (sulfaat, nitraat, ammonium) worden afzonderlijk berekend en vervolgens gesommeerd om de totaal berekende fijnstofconcentratie te krijgen.

Stap 2. De kalibratie op meetresultaten. Dit is de kalibratie van de achtergrondconcentraties op basis van meetresulaten voor fijn stof uit het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). De resultaten na stap 2 staan bekend als Generieke Concentratie Nederland (GCN) kaarten en worden door het Milieu-en Natuurplanbureau (MNP) beschikbaar gesteld. Kalibratie is nodig, omdat de berekende concentraties circa 50% lager zijn dan de gemeten concentraties. De reden hiervoor is dat de emissies die als invoer voor de modelberekeningen worden gebruikt, alleen de (bekende, i.e. geregistreerde) antropogene emissies betreffen. Natuurlijke bronnen worden in de berekeningen niet meegenomen, deels door gebrek aan proceskennis maar vooral door gebrek aan betrouwbare emissiegegevens. Met metingen wordt echter totaal fijn stof verkregen, dat bestaat uit deeltjes van zowel natuurlijke als antropogene oorsprong. Ten behoeve van de GCN-kaarten wordt dit verschil gecorrigeerd (‘gekalibreerd’), door de verschillen op regionale achtergrondstations te interpoleren over Nederland en dat geïnterpoleerde verschil bij de met het model berekende waardes op te tellen. 

Stap 3. De berekening van de lokale bijdragen. Deze stap betreft de berekening van de bijdrage van lokale bronnen bovenop de achtergrondconcentratie uit de GCN-kaart. Te denken valt hierbij aan een straat in een stedelijke omgeving. Het CAR-model berekent de fijnstofconcentratie langs wegen en wordt toegepast om overschrijdingen van de grenswaarde voor het daggemiddelde en het jaargemiddelde voor specifieke straten te berekenen. Om overschrijdingen van de grenswaarde voor het daggemiddelde te bepalen gebruikt het CAR-model een empirische lineaire relatie tussen jaargemiddelde fijnstofconcentraties en het aantal dagen met een daggemiddelde fijnstofconcentratie boven de 50 μg/m3. De lineaire relatie is gebaseerd op de meetresultaten in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit.

Wat is de luchtkwaliteit voor fijn stof in Nederland?

De gemiddelde regionale fijnstofconcentratie in Nederland bedroeg in 2005 26 µg/m3. In stedelijke gebieden kan de gemiddelde concentratie oplopen tot om en nabij de 40 µg/m3.

De luchtkwaliteit voor fijn stof in Nederland is de afgelopen tien jaar verbeterd. De jaargemiddelde concentratie is in deze periode met 25% afgenomen. Het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie boven 50 μg/m3 is zelfs met een factor twee afgenomen. Niettemin zijn er in Nederland nog overschrijdingen van beide grenswaarden. Het blijkt dat de overschrijdingen van de grenswaarde voor het daggemiddelde grootschaliger optreden dan van de grenswaarde voor het jaargemiddelde.

Nederland is overigens niet het enige Europese land dat de grenswaarden niet haalt. De stedelijke luchtkwaliteit in Nederland is van een zelfde niveau als in andere Europese landen.

Wat zijn de gezondheidseffecten van fijn stof?

Deeltjes kleiner dan 10 micrometer (µm) dringen bij inademing door in de luchtwegen. Fijn stof in de lucht kan daardoor leiden tot gezondheidsklachten en zelfs tot vroegtijdige sterfte. Epidemiologische studies wijzen uit dat in Nederland jaarlijks 2300 tot 3500 mensen vroegtijdig overlijden aan alleen al de acute gevolgen van blootstelling aan fijn stof. Op basis van de langetermijneffecten van chronische blootstelling aan fijn stof zouden in Nederland mogelijk zelfs 12.000 tot 24.000 mensen jaarlijks vroegtijdig overlijden.

Bovendien blijkt uit onderzoek dat er waarschijnlijk geen drempelwaarde is aan te geven, waaronder geen gezondheidseffecten optreden. Een complicerende factor is dat niet goed bekend is welk deel van het fijn stof verantwoordelijk is voor de gezondheidseffecten. Hieruit volgt dat een vermindering van de emissies die bijdragen aan de fijnstofconcentraties wel kan leiden tot een vermindering van de concentraties, maar dat dit niet per se hoeft te leiden tot een vermindering van de omvang van de gezondheidseffecten. Er is dus eigenlijk sprake van twee gedeeltelijk samenhangende problemen: een probleem om te voldoen aan de regelgeving en een probleem om de gezondheidseffecten te verminderen.

Wat heeft fijn stof met bouwplannen te maken?

De huidige grenswaarden voor fijn stof zijn een onderdeel van het Besluit Luchtkwaliteit dat in 2001 van kracht is geworden. Het geeft ook het juridisch toetsingskader aan de hand waarvan bouw- en uitbreidingsplannen kunnen kunnen worden geblokkeerd of moeten worden bijgesteld. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als blijkt dat bij uitvoering van de plannen niet wordt voldaan aan de grenswaarden. Dit blijkt uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS)

Er is inmiddels bij ruim 40 (ruimtelijke) ontwikkelingsplannen bezwaar gemaakt tot bij de ABRS vanwege een mogelijke strijdigheid met het Besluit Luchtkwaliteit. In eenderde van deze zaken heeft de ABRS een plan vernietigd op basis van het Besluit Luchtkwaliteit. Dit betreft bijvoorbeeld bestemmingsplannen voor woningbouw of bedrijfsterreinen, vergunningen voor nieuwe bedrijfsactiviteiten en plannen voor aanleg of aanpassing van (snel)wegen.

De uitspraken van de ABRS maken duidelijk dat voor het toelaten van dergelijke plannen een zeer zorgvuldige analyse moet worden gedaan naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Het niet voldoen aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden kan een reden vormen om ruimtelijke ontwikkelingen tegen te houden.

Wat wordt er gedaan om het fijnstofprobleem op te lossen?

Het kabinet heeft op prinsjesdag 2005 een pakket maatregelen gepresenteerd. Het pakket stelt vooral technische en lokale (verkeers)maatregelen voor, veelal met een subsidiekarakter. Daarbij beoogt Nederland vooruit te lopen op het autonome Europese bronbeleid. Het prinsjesdagpakket zet in op de volgende maatregelen:

  • subsidies voor roetfilters op oudere en nieuwe voertuigen;
  • stimuleren van schoon lokaal verkeer, vrachtvervoer en scheepvaart;
  • schone brandstoffen en beperken van het grijs kentekenbezit;
  • verdergaande fijnstofbestrijding in de industrie en de landbouw;
  • lokale maatregelen aan infrastructuur en ondersteuning van lokale overheden.

Verder heeft de Europese Commissie een thematische strategie voor luchtverontreiniging en een voorstel voor een nieuwe luchtkwaliteitsrichtlijn uitgebracht. Hiermee beoogt de commissie de luchtverontreiniging in de Europese unie verder aan te pakken. Deze voorstellen worden effectief in 2010 en gaan verder dan de hierboven genoemde voorstellen uit het prinsjesdagpakket.

De Europese Commissie heeft recent aanvullend bronbeleid voorgesteld waarmee voor al het Europese wegverkeer nieuwe, schonere technieken worden afgedwongen. De invoering van Euro-5-emissie-eisen voor personenauto’s in 2009 en de autonome ontwikkeling in de toepassing van standaard roetfilters bij personenauto’s hebben in 2010 nog nauwelijks effect. De emissiereductie voor fijn stof bedraagt in 2020 2,4 miljoen kg, wat een halvering van de verbrandingsemissie door het wegverkeer inhoudt.

De realisatie van de grenswaarde komt hiermee binnen bereik. Met extra lokaal, nationaal en Europees beleid kan het probleem tegen 2015 opgelost zijn. Hiervoor is wel uitstel, ofwel derogatie, van de Europese Commissie nodig, omdat eigenlijk al in 2005 aan de grenswaarde voldaan had moeten zijn.

Meer informatie

Waarom is stikstofdioxide een probleem?

Stikstofdioxide (NO2) is een van de stoffen waarvoor Europese grenswaarden in lucht bestaan. Er is een grenswaarde van 40 µg NO2/m³ voor de jaargemiddelde concentratie. Aan deze norm moet in 2010 voldaan zijn. De jaargemiddelde concentraties bleven de afgelopen jaren in het overgrote deel van Nederland onder de norm. Overschrijdingen traden nog wel op langs drukke verkeerswegen en incidenteel ook nog op locaties in grote steden die niet gelegen zijn in een drukke verkeersstraat of nabij een snelweg. De hoogst gemeten concentraties worden waargenomen op de zogenaamde straatstations. In het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) lag in 2004 de gemeten concentratie op het merendeel van de straatstations boven de grenswaarde van 40 µg/m³; in 2006 op de helft van de stations. Een deel van de verschillen tussen de jaren kan worden toegeschreven aan verschillen in meteorologische omstandigheden. Daarnaast is echter sprake van een systematische afname van de concentraties.

Aanvankelijk hadden de overschrijdingen door de strikte koppeling tussen luchtkwaliteit en ruimtelijke activiteiten verstrekkende consequenties. Het stilleggen van bouwprojecten en infrastructurele werken waren hiervan wel de meest opvallende. In een voorgenomen wijziging van de Wet milieubeheer wil het kabinet met een zogenoemde salderingsregeling op programmaniveau een flexibelere koppeling mogelijk maken tussen ruimtelijke activiteiten en luchtkwaliteit. Met de beoogde wetswijziging wordt het mogelijk dat projecten bij een dreigende overschrijding van een Europese luchtkwaliteitsgrenswaarde doorgang kunnen vinden. Voorwaarde hierbij is dat de verslechtering van de luchtkwaliteit door grote projecten op een andere locatie binnen de regio gecompenseerd (gesaldeerd) moet worden. De luchtkwaliteit moet per saldo gemiddeld in de regio verbeteren of tenminste gelijk blijven. Saldering gebeurt in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) door de effecten van alle projecten te vergelijken met de effecten van compenserende maatregelen. De wet is inmiddels goedgekeurd door de Tweede Kamer, maar moet de Eerste Kamer nog passeren. De plenaire behandeling in de Eerste Kamer vond plaats op 9 en 10 juli 2007. Op 10 juli 2007 is de beraadslaging van dit voorstel tot een nader te bepalen datum geschorst. In het voorjaar van 2008 zal het kabinet zijn verdere beleidsvoornemens presenteren.

Daarnaast is er een grenswaarde van 200 µg NO2/m³ voor de uurgemiddelde concentratie; deze uurwaarde mag niet meer dan 18 maal per jaar worden overschreden. Overschrijding van deze grenswaarde is in Nederland niet meer aan de orde, zo blijkt uit metingen in de afgelopen tien jaar. Wel komt het incidenteel voor dat uurwaarden boven de 200 µg/m³ worden bereikt. In 2004 was dit het geval op vier stations gedurende een tot vier uur en in 2005 op één station gedurende twee uur. In alle gevallen betrof het een straatstation en bleef het aantal uurwaarden onder de gestelde limiet van 18 maal per jaar.

Meer informatie

Kan Nederland voldoen aan de gestelde eisen?

Het is mogelijk dat Nederland op termijn kan voldoen aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide. Voorwaarde hiervoor is dat de EU Nederland uitstel van de ingangsdatum verleent tot 2015. Bovendien zullen lokale plannen voor de verbetering van de luchtkwaliteit voortvarend moeten worden gerealiseerd.

De Europese Commissie heeft in september 2005 een thematische strategie voor luchtverontreiniging en een voorstel voor een nieuwe luchtkwaliteitsrichtlijn uitgebracht om de luchtverontreiniging in de Europese Unie verder aan te pakken. Deze voorstellen worden effectief na 2010. De grenswaarde voor de jaargemiddelde stikstofdioxideconcentratie (40 µg/m³) verandert waarschijnlijk niet. Wel zal de uitstoot van stikstofoxiden worden aangpakt. Deze maatregelen gaan veel verder dan de maatregelen die tot nu toe door het kabinet zijn genomen. Met de voorgestelde maatregelen van de Commissie neemt de luchtverontreiniging fors af en ontstaan er bovendien baten voor de volksgezondheid die vele malen groter zijn dan de kosten.

Ook de Europese plannen en de kabinetsplannen voor de bestrijding van klimaatverandering zullen veelal een gunstig effect op de uitstoot van stikstofoxiden en daarmee op de stikstofdioxideconcentraties hebben.

Wat kan Nederland zelf doen om de problemen op te lossen?

Nederland kan veel bijdragen aan de oplossing van het stikstofdioxideprobleem. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen landelijke, regionale en lokale maatregelen. Bij landelijke maatregelen kan het gaan om emissiehandel en rekeningrijden. Voorbeelden van regionaal realiseerbare maatregelen: het invoeren van betaald parkeren, het instellen van carpoolpleinen en het bevorderen van gedeeld autogebruik, verbetering van het openbaar vervoer, gratis openbaar vervoer, het instellen van een heffing op de toegang tot steden en het inrichten van stadsdistributiecentra. Locatiespecifieke beleidsmaatregelen zijn gericht op het oplossen van een specifiek knelpunt. Het kan hierbij gaan om maatregelen als het instellen van eenrichtingverkeer, groene golf, milieuzones, snelheidsbeperking en aanpassingen aan gevels.

Hebben andere landen ook een probleem met stikstofdioxide?

Nederland staat in deze niet alleen. Metingen wijzen uit dat ook in steden in andere Europese landen overschrijdingen van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide optreden.

Wat zijn de gezondheidseffecten van stikstofdioxide?

Effecten van verkeersgerelateerde emissies op de gezondheid worden steeds aannemelijker. Er worden blootstelling-effect relaties met stikstofdioxide als luchtindicator gevonden. Hoewel directe effecten van stikstofdioxide zelf hierbij niet zijn uit te sluiten, worden van stikstofdioxide bij de huidige concentraties in de buitenlucht, zowel na kortdurende als langdurende blootstelling, ernstige gezondheidseffecten onwaarschijnlijk geacht. De algemene opvatting is dat stikstofdioxide eerder moet worden gezien als indicator voor verkeersgerelateerde (deeltjesvormige) luchtverontreiniging met vermoedelijk wel substantiële gezondheidsrisico's. Ook draagt stikstofdioxide als precursor bij aan ozonvorming op leefniveau.