Risico’s voor de leefomgeving bij afschaffen productierechten in de veehouderij
Zowel het Nederlandse stelsel van productierechten voor het houden van varkens en pluimvee (de zogenaamde dierrechten) als het EU-stelsel voor melkquotering komt in 2015 te vervallen. Er zijn risico’s verbonden aan een veehouderij zonder een vorm van begrenzing op de omvang van de veestapel. Deze risico’s zijn prominent voor het mest- en ammoniakbeleid, maar ook aanwezig voor volksgezondheid en dierenwelzijn. De voordelen van een systeem van productiebegrenzing voor beheersing van deze risico’s lijken groter dan de ook aanwezige nadelen, zoals regeldruk en extra kosten voor de boeren.
Dit concludeert het Planbureau voor de Leefomgeving in de vandaag gepubliceerde analyses ‘Welke veestapel past in Nederland? Inbreng voor de maatschappelijke discussie over begrenzing en sturing van de omvang van de veestapel’ en ‘Productierechten in de veehouderij: gevolgen van afschaffen in 2015 voor veehouderij en leefomgeving’.
Afschaffen van productiebegrenzing bemoeilijkt uitvoering mestbeleid
Bij afschaffing van productiebegrenzing in 2015 wordt een groei van de veestapel en de fosfaatuitscheiding verwacht. Begrenzing van de veestapel is voor de Nederlandse overheid geen doel op zich, maar onderdeel van het mestbeleid om de milieubelasting vanwege bemesting te verminderen. Dit wordt sinds 2006 geregeld via een stelsel van gebruiksnormen voor stikstof en fosfaat in kunstmest en dierlijke mest. Deze normen worden aangescherpt waardoor de zogeheten fosfaatgebruiksruimte tussen 2010 en 2015 met circa 20 miljoen kilogram afneemt. Een aanscherping van de fosfaatgebruiksnormen in samenloop met groei van de veestapel zal de druk op de mestmarkt sterk verhogen, en daarmee ook de mestafzetkosten voor de veehouder. Dit laatste verhoogt de fraudedruk en het risico op overtreding van de mestwetgeving. Momenteel zijn de mestafzetkosten aanzienlijk hoger dan de extra kosten voor varkens- en pluimveehouders voor aankoop of lease van productierechten. Een sterke toename van de druk op de mestmarkt lijkt vooral de varkenshouderij te gaan treffen, waar 20 miljoen kilogram minder fosfaat betekent dat voor 40 procent van de huidige fosfaatuitscheiding door varkens gezocht moet worden naar alternatieve afzetmogelijkheden.
Risico’s voor volksgezondheid, leefomgevingskwaliteit en dierenwelzijn
De huidige wijze van veehouderij leidt tot een breed spectrum aan ongewenste effecten: overbemesting, uitstoot van ammoniak, broeikasgassen, fijn stof en stank, ontwikkeling van antibioticaresistentie, ongerief bij dieren en schade in landen waaruit veevoer wordt geïmporteerd. De relatie tussen deze effecten en de omvang van de veestapel is complex en vaak niet eenduidig. Echter zonder aanvullende maatregelen gaat groei van de veestapel doorgaans gepaard met meer milieueffecten, grotere risico’s voor de volksgezondheid en meer kans op uitbraken van dierziekten.
Groei zal ook leiden tot schaalvergroting en mogelijk verdere regionale concentratie van de veehouderij waardoor de lokale druk op de leefomgeving toeneemt. Zo heeft een versoepeling van het stelsel van productierechten in 2008 geleid tot een onverwacht hoge toename van de varkensstapel met 8 procent in Noord-Brabant en Limburg, waar de concentratie al hoog was. Deze wijziging is twee jaar later weer teruggedraaid.
Integrale visie op mestbeleid en veehouderij nodig
De fundamentele vragen zijn of de huidige omvang en inrichting van de veehouderij optimaal is voor de Nederlandse èn Europese welvaart en of een verwachte groei bij afwezigheid van volumebegrenzing niet leidt tot een verslechtering op het gebied van emissies, dierziektes en volksgezondheid. Nederland heeft een unieke positie in de Europese Unie omdat ze ruim de helft van haar veehouderijproducten exporteert. De keerzijde is een hoge druk op de Nederlandse leefomgeving, en een maatschappelijke schade die nog maar zeer beperkt wordt doorberekend naar de afnemers.
Afschaffing van productiebegrenzing zal ook kunnen leiden tot een grote verandering in de structuur van de veehouderij, bijvoorbeeld als de economisch sterkere melkveehouderij de varkenshouderij verdringt op de mestmarkt of als megabedrijven de kleinere gezinsbedrijven verdringen. Inzet op technische mogelijkheden voor beheersing van leefomgevingseffecten en op innovatie bieden een deel van de oplossing, maar het ontbreekt vaak nog aan economische prikkels in het milieudomein en technisch perspectief in het volksgezondheidsdomein. Voor de aanstaande besluitvorming over productiebegrenzing na 2015, is er dus behoefte aan een integrale visie van de overheid, niet alleen op het mestbeleid, maar ook op beheersing van andere leefomgevingseffecten en daarmee ook op de structuur, inrichting en aansturing van de veehouderijsector.
Links
- naar de publicatie 'Productierechten in de veehouderij'
- naar de publicatie 'Welke veestapel past in Nederland'
Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met dr ir Hans van Grinsven, telefoon 030-2743050 of 06 25506781, hans.vangrinsven@pbl.nl.
