Gezondheidseffecten van Fijn stof
In de media is een verwarrend beeld ontstaan over de gezondheidseffecten van fijn stof. Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) willen hun standpunt toelichten naar aanleiding van kritiek verwoord door Hanekamp (Financieele Dagblad 28 november j.l.).Deze tekst is in een ingekorte vorm gepubliceerd in het Financieel Dagblad van 2 februari 2006.
Gezondheidsrisico's van fijn stof
Hanekamp doet in het Financieel Dagblad van 28 november onjuiste uitspraken over gezondheidseffecten van fijn stof en verwijt het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) onwetenschappelijke en kortzichtige beoordelingen. Het MNP en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) lichten hun standpunt graag nader toe.
EU normen
Voor een goed begrip, de Europese Unie (EU) heeft harde luchtkwaliteitsnormen voor fijn stof vastgesteld waaraan elk land moet voldoen. Deze normen zijn beleidsmatige en politieke keuzes waarin gezondheidsadviezen, waaronder die van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), sterk hebben meegewogen. De opmerking van Hanekamp dat de “Europese normen slechts gebaseerd zijn op ėėn studie !” is onjuist. Aan de fijnstofnormstelling ligt een groot scala aan studies ten grondslag, die in een document van de WHO uitvoerig zijn geëvalueerd. Vanwege de economische en maatschappelijke belangen bij het moeten voldoen aan deze fijnstofnormen, vindt er veel discussie plaats. Dit wordt nog versterkt door de recente aankondiging door de Europese Commissie van een nieuwe EU norm. De discussies gaan vooral over onzekerheden bij emissies, metingen en (reken)modellen. Maar óók over hoe sterk de aanwijzingen voor gezondheidseffecten zijn en hoe effectief het bestrijdingsbeleid is voor het verkleinen van de risico’s. Epidemiologische studies hebben geen veilige concentraties (drempelwaarden) gevonden; met het halen van de normen is de volksgezondheid dus nog niet veiliggesteld. Ook de effectiviteit van het beleid in termen van gezondheidswinst staat ter discussie. Dit komt omdat er nog maar beperkt inzicht is in welke bestanddelen van het complexe fijnstofmengsel verantwoordelijk zijn voor gezondheidseffecten. Bij dit alles moet niet vergeten worden dat door succesvol beleid de luchtkwaliteit in de afgelopen decennia sterk verbeterd is. Voor een verdere verbetering kunnen enkele doelmatige beleidsopties worden aangegeven waarmee de gezondheidsrisico’s vermoedelijk afnemen.
Effecten van kortdurende en langdurende blootstelling
De gezondheidseffecten van kortdurende blootstelling aan fijn stof noemt Hanekamp gering. In Nederland overlijden vervroegd door kortdurende blootstelling aan fijn stof naar schatting 2300-3500 mensen per jaar. Vindt hij dit aantal gering? Of doelt hij op de geschatte levensduurverkorting van enkele dagen tot maanden? Los van die kwalificatie: deze getallen zijn gebaseerd op Nederlandse onderzoeken, maar soortgelijke gegevens worden in veel studies over de hele wereld gevonden. Het kennisniveau hierover is daarom groot (Milieubalans 2005).
- Er is bezorgdheid over mogelijk grotere gezondheidseffecten na langdurige blootstelling (meerdere jaren) aan fijn stof. MNP en RIVM hebben, evenals de EU en de WHO, alle bekende onderzoeken naar gezondheidseffecten van langdurende blootstelling aan fijn stof bestudeerd en hebben voor de uiteindelijke risicoschatting een weloverwogen keuze gemaakt voor de gegevens uit grote, representatieve en robuuste Amerikaanse onderzoeken (Dockery et al., Pope et al.). De kleinere Amerikaanse studies, uitgevoerd in oorlogsveteranen en Zevende-dag Adventisten, worden door MNP en RIVM als niet-bruikbaar beschouwd voor de totale Nederlandse bevolking. De studie onder (oudere) mannelijke oorlogsveteranen is qua analysemethode zwak (bevatte onder andere naar het oordeel van vakgenoten te veel correcties voor andere verstorende factoren), omvatte alleen mannen, en keek niet naar oorzaakspecifieke sterfte. Bovendien zijn van deze studie tot nu toe alleen voorlópige resultaten gepubliceerd (zoals de titel van het oorspronkelijke artikel ook vermeldt), wat een belemmering is voor het gebruik ervan in een risicoschatting. De studie onder Zevende-dag Adventisten is hiervoor ook onbruikbaar omdat deze bevolkingsgroep niet rookt en geen alcohol drinkt, en ook wellicht nog andere leefstijlen heeft waardoor hun gezondheidstoestand afwijkt van de algemene Nederlandse bevolking.
- De uitkomsten van genoemde, grote Amerikaanse studies zijn, in tegenstelling tot wat Hanekamp suggereert, wél bevestigd door uitgebreide her-analyses. Het wetenschappelijke debat daarover wordt op veel plaatsen in alle openheid en met alle ‘stakeholders’ en sceptici gevoerd, niet alleen in de VS en bij de WHO, maar ook in de EU en in Nederland. De conclusies zijn, ondanks de onzekerheden, tot nu toe breed geaccepteerd als basis voor beleid. Hanekamp heeft gelijk als hij zegt dat in de heranalyse van de Amerikaanse studies is gevonden dat “mensen met een hoge opleiding geen last hebben van fijn stof”. De meer complete beschrijving hierbij is dat bij de hoger opgeleide bevolkingsgroep inderdaad minder gezondheidseffecten zijn opgetekend, maar dat bij de bevolkingsgroepen met een lagere opleiding juist een groter effect is gevonden. Het is dus denkbaar dat bij deze opleidingsafhankelijke effecten, behalve verschillen in fijn stof blootstelling, ook verschillen in voeding en leefstijl een rol spelen. In de epidemiologie spreekt men dan van ‘effectmodificatie’, een normaal verschijnsel. De gemiddelde schatting voor de totale bevolking kwam echter overeen met de eerdere schatting. Deze uitkomst heeft dan ook geen consequenties voor de risicoschatting voor de Nederlandse bevolking als totaal (aannemende dat de opleidingsverdeling tussen de VS en Nederland vergelijkbaar is) en is daarom in onze rapportages dan ook niet apart vermeld.
- Hoewel betrouwbare, uitgebreide Europese gegevens over dit soort effecten nog ontbreken; zijn recent wel enkele soortgelijke aanwijzingen gepubliceerd, waaronder die van Hoek et al. (Lancet 361 p 430, 2003), uitgevoerd in Nederland. Totdat aanvullende Nederlandse en Europese gegevens beschikbaar komen, wordt aangenomen dat de gegevens uit de grote Amerikaanse studies in de algemene bevolking óók gelden voor Europa. Aldus toegepast in berekeningen voor Nederland, blijken de effecten na langdurende blootstelling aan fijn stof groter te zijn dan na kortdurende blootstelling: per jaar mogelijk duizenden tot enige tienduizenden mensen en een geschatte levensduurverkorting van meerdere jaren. MNP en RIVM geven aan dat het huidige kennisniveau hiervoor aanmerkelijk lager is dan voor de korte termijn effectschattingen en dat omvang en tijdsduur moeten worden opgevat als globale indicaties (Milieubalans 2005, rapport ‘Fijn stof nader bekeken’). Ook in het RIVM rapport ‘Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands’ (2005) wordt hierop nader ingegaan.
- Hanekamp noemt de effectschatters (de zogenaamde relatieve risico’s) die worden gevonden in studies naar de effecten van fijn stof “zo’n klein risico dat hier goed sprake zou kunnen zijn van statistische ruis”. MNP en RIVM constateren dat de relatieve risico’s voor fijn stof getalsmatig weliswaar klein zijn, maar dat neemt niet weg dat het in absolute zin een groot aantal mensen betreft omdat de hele bevolking in meer of mindere mate wordt blootgesteld. In vergelijking: het risico voor verkeersdeelnemers om te overlijden door een verkeersongeval is duidelijk óók klein, maar omdat dagelijks een groot aantal mensen aan het verkeer deelneemt, kom je in absolute aantallen uit op bijna 1000 doden per jaar. De gehanteerde relatieve risico’s voor fijn stof komen voort uit studies waarin met de gangbare statistische technieken de gegevens geanalyseerd zijn. Er bestaat dan ook geen twijfel over de statistische aspecten van de studies.
Schadelijke werking
Mechanismen waardoor fijn stof schadelijke effecten kan veroorzaken en welke chemische bestanddelen hierbij betrokken zijn, zijn, ondanks enkele aanwijzingen, nog grotendeels onbegrepen (Fijn stof nader bekeken 2005). Hanekamp beweert terecht dat over de causaliteit in de waargenomen concentratie-effect relaties inderdaad nog geen duidelijkheid is. Wel zijn er aanwijzingen dat naast de concentratie (‘massa’) van fijn stof ook de samenstelling van belang kan zijn voor effecten, waarbij niet elke component gezondheidskundig wellicht even belangrijk is. De zeezout-, sulfaat- en nitraatfracties zijn op basis van toxicologische beoordelingen vrijwel onschadelijk; aan het roetdeel uit verbrandingsprocessen wordt echter wél een rol toegedicht. Een dergelijke rol is voorstelbaar omdat juist déze fractie een rol kan spelen bij de waargenomen toxische effecten als ‘oxidatieve stress’, ontstekingsreacties en neurologische veranderingen, processen die vermoedelijk ook betrokken zijn bij de verergering van bestaande hart- en longaandoeningen na blootstelling aan fijn stof. Vandaar dat beleidsmaatregelen gericht op het structureel terugdringen van deze mogelijk effectrelevante fractie door het MNP als ‘no-regret’ worden aangemerkt. De door het MNP en het RIVM met regelmaat gepubliceerde opvattingen over de toxiciteit van fijnstoffracties worden ook door de WHO gedeeld, wél met de terechte opmerking dat er nog (te) weinig kwantitatieve gegevens bestaan om een meer op oorzakelijke fijnstofcomponenten gerichte risicoschatting op te baseren. Het is uiteindelijk aan de politiek om te overwegen of er mede uit voorzorg tot normen en maatregelen moet worden besloten, óók als over de causaliteitskwestie nog geen duidelijkheid bestaat.
Complex dossier
Fijn stof is een complex en deels nog onbegrepen dossier. Het debat hierover vindt dan ook intensief plaats, al was het maar om effectieve en efficiënte wegen te vinden om zowel aan de EU normen te voldoen als om de risico’s en de ziektelast in de bevolking te verminderen. MNP en RIVM blijven de kennis én de onzekerheden daarover publiceren. De huidige risicoschatting weerspiegelt de stand der algemene kennis van dit moment.
Meer informatie treft u in de volgende publicaties:
- Fijn stof nader bekeken (MNP-publicatie)
- Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands (RIVM-publicatie).
Dr. Leendert van Bree is programmaleider Gezondheidseffecten en Risico’s bij het MNP. Ir. Paul Fischer is senior onderzoeker en epidemioloog bij het RIVM. Dr. Flemming Cassee is senior onderzoeker en toxicoloog bij het RIVM