Modellen
Het MNP maakt berekeningen over de ontwikkeling van de biodiversiteit op nationale en internationale schaal. Voor de Nederlandse situatie is de ‘NATUURPLANNER’ ontwikkeld. Dit is een modelketen waarmee scenario's kunnen worden doorgerekend voor de belangrijkste Nederlandse milieuthema’s. De thema’s vermesting, verdroging, verzuring en versnippering hebben het meeste effect op de natuur. Hieronder volgt (in alfabetische volgorde) een beschrijving van de afzonderlijke modellen die deel van uitmaken van de NATUURPLANNER.AQUACID
Dynamisch ecosysteemmodel beschrijft de effecten van atmosferische depositie op verzuring en vermesting in de Nederlandse vennen. Er worden twee gidssoorten voor de waterplanten beschreven (Oeverkruid en Knolrus). Met het model wordt de ontwikkeling van deze waterplanten berekend.
BIODIV - Model voor het inschatten van de kwaliteit van de BioDiversiteit.
Dit model integrateert gegevens over het voorkomen van verschillende soorten (planten, vlinders, vogels) afgezet tegenover een opgegeven referentie. De invoer is afkomstig van meetnetten of van modellen. Levert een index op over de kwaliteit en waarde van de bestaande natuur tov een referentie natuur. Gebruik: als integratiemodel aan het eind van de keten dat de Mean Species Abundance (MSA) berekent.
GLOBIO3: A global biodiversity model
The GLOBIO3 model uses quantitative relationships between environmental pressure factors and biodiversity, based on state-of-the-art knowledge from literature. By combining the results related to individual pressures, the overall change in biodiversity is calculated in terms of Mean Species Abundance of original species (MSA) and the extent of ecosystems.
> Go to the website
> A presentation of GLOBIO results in Google Earth can be found here
LARCH - overlevingskansen van verschillende diersoorten
LARCH berekent de overlevingskansen van populaties van verschillende diersoorten. Dit gebeurt aan de hand van informatie over de vegetatiestructuur en een aantal in het model ingebouwde soortspecifieke gegevens. Het model rekent voor zoogdieren en reptielen met barrièrekaarten. Het model wordt onder meer gebruikt om aan te geven hoe, door natuurgebieden te verbinden, te vergroten danwel te beheren, het rendement van de Ecologische Hoofdstructuur kan worden verhoogd.
MOVE 3.2 - MOdel voor de VEgetatie
Het model MOVE berekent de effecten van veranderingen in een aantal bodem- en ruimtelijke eigenschappen op het voorkomen van plantensoorten. MOVE is opgenomen in de modelketen Natuurplanner en wordt vanuit de Natuurplanner aangestuurd. De Natuurplanner zorgt voor de afhandeling van invoer, uitvoer, cartografische weergave en de aansturing/koppeling binnen de keten van modellen.
NATPLAN: Natuurplanner
De natuurplanner is een beleidsondersteunend systeem, waarmee het PBL beleidsopties op het raakvlak van milieu en natuur kan onderbouwen. In de natuurplanner zijn modellen opgenomen waarmee de effecten van de belangrijkste milieuthema's op een grote groep van soorten worden ingeschat. De thema's die de meeste effecten op de natuur hebben zijn vermesting, verdroging, verzuring en versnippering.
PCDitch
PCDitch is een van de modellen ter beschrijving en voorspelling van de (ongewenste) neveneffecten van eutrofiëring op de kwaliteit van het water en van aquatische ecosystemen. PCDitch richt zich op het watertype sloten: ondiepe, smalle, (semi-)stagnante wateren.
PCLake
PCLake is een van de modellen ter beschrijving en voorspelling van de (ongewenste) neveneffecten van eutrofiëring op de kwaliteit van het water en van aquatische ecosystemen. PCLake richt zich op het watertype ondiepe meren en plassen. Eutrofiëring veroorzaakt in ondiepe meren het verdwijnen van ondergedoken waterplanten, een hoge algendichtheid en troebel water, gepaard gaande met verlies aan biodiversiteit.
SMART2 - Verzuring en beschikbaarheid van stikstof voor natuurlijke vegetaties
SMART2 is een model dat de verzuring en beschikbaarheid van stikstof in relatie tot de depositie en de hydrologie simuleert voor natuurlijke vegetaties (bos, heide, onbemest grasland). Het model wordt ingezet op perceel, landelijke en Europese schaal. Het model heeft depositie invoergegevens nodig (b.v. van OPS). Het SUMO model is als successiemodule gekoppeld aan SMART2. De uitvoer van SMART2 wordt gebruikt door andere modellen zoals MOVE.
SUMO 2.2 - Groei van biomassa vegetatie
SUMO 1 beschrijft op basis van de beschikbare hoeveelheid stikstof, licht, grondwaterstand en beheer de groei van biomassa voor vijf vegetatietypen en voorspelt de ontwikkeling en de successie van de vegetatiestructuur in termen van deze typen (kruiden, dwergstruiken, struiken, pionierbomen en climaxbomen).
vlinderMOV - Model voor effecten op dagvlinders
VlinderMOVE is analoog aan het model voor vegetatie effecten MOVE. zie voor opzet en algemene eigenschappen aldaar.