Veelgestelde vragen
Algemeen
- Hoeveel soorten planten en dieren zijn er in Nederland?
- Wat is biodiversiteit?
- Waarom is biodiversiteit belangrijk?
- Wat houdt afname van biodiversiteit in?
- Waarom zijn graadmeters voor biodiversiteit nodig?
- Welke graadmeters voor biodiversiteit worden gehanteerd?
- Wat is de natuurwaarde?
Biodiversiteit in Nederland
- Hoe staat het met de biodiversiteit in Nederland?
- Hoe wordt de biodiversiteit gemeten?
- Hoe wordt de biodiversiteit in Nederland beschermd?
- Hoeveel soorten planten en dieren zijn er in Nederland?
- Levert klimaatverandering gevaar op voor de biodiversiteit in Nederland?
- Welke gebieden in Nederland hebben een hoge biodiversiteit?
Vragen over biodiversiteit in internationaal verband
- Hoe staat het met de biodiversiteit in Europees verband?
- Wat houdt de Convention on Biological Diversity (CBD) in?
Hoeveel soorten planten en dieren zijn er in Nederland?
In Nederland komen circa 25.000 diersoorten voor en meer dan 10.000 plantensoorten. Insecten vormen de grootste groep diersoorten, met vooral veel soorten kevers, vliegen, muggen, bijen, wespen en mieren. Andere soortenrijke diergroepen zijn nematoden, mijten en kreeftachtigen.
Opvallende soortgroepen als vogels en zoogdieren hebben veel minder soorten. De grootste groep planten bestaat uit schimmels: paddestoelen en microfungi. Daarnaast zijn er veel groenwieren en zaadplanten. Behalve inheemse soorten zijn er bij diverse soortgroepen ook heel wat exoten bekend die in Nederland voorkomen.
- Meer informatie in het Milieu- en Natuurcompendium
- Zie ook: Biodiversiteit in Nederland
Wat is biodiversiteit?
Biodiversiteit is een samentrekking van de woorden biologische diversiteit. Het verwijst naar de variatie van organismen op aarde en naar de verschillende levensgemeenschappen die ze vormen. Biodiversiteit is een begrip waarvoor veel definities opgesteld zijn. Het heeft te maken met de soortenrijkdom, maar ook met de aantalsverhoudingen waarmee de soorten voorkomen, de zogenaamde "eveness". Ook maakt men vaak onderscheid tussen de oorspronkelijke soorten en nieuwkomers.
Het Biodiversiteitsverdrag geeft de volgende definitie die breed wordt gedragen: "biodiversiteit is de variatie in organismen uit de gehele wereld, waaronder terrestrische, mariene en ander aquatische ecosystemen en de ecologische verbanden waar ze deel van uitmaken; de diversiteit betreft de variatie binnen soorten, tussen soorten en tussen ecosystemen". Met het laatste wordt aangegeven dat biodiversiteit wordt onderscheiden op het genetisch, soorten en ecosysteem niveau.
Waarom is biodiversiteit belangrijk?
De natuurlijke omgeving levert de basisvoorwaarden voor het bestaan van de mens. De verscheidenheid aan ecosystemen, soorten en genen zorgt voor een goed verloop van alle natuurlijke processen op aarde. De ecosystemen leveren de mens levensbehoeften als voedsel, geneesmiddelen en hout, zuiveren water, en vervullen belangrijke recreatieve, culturele en esthetische functies.
De aantasting van deze ecosysteemfuncties vormt nu al een ernstige bedreiging voor het halen van de Millenniumdoelstellingen voor 2015, die in september 2000 door de Verenigde Naties vastgesteld zijn. Volgens het op 30 maart 2005 uitgebrachte Millennium Ecosystem Assessment rapport zullen de schadelijke gevolgen van deze achteruitgang kunnen de komende 50 jaar nog aanzienlijk toenemen. Het niet-duurzame verbruik van ecosysteemfuncties zal blijven groeien, als gevolg van een drie tot zesvoudige toename van mondiale economische productie in 2050 - zelfs als de bevolkingsgroei zal verminderen en stabiliseren in het midden van de eeuw.
De meeste drijvende krachten voor ecosysteemaantasting, zoals klimaatverandering, overbemesting, versnippering, habitatverlies en exploitatie zullen waarschijnlijk sterker worden. Hierdoor worden niet alleen de natuurlijke voorraden kleiner en kleiner, maar zou ook het productievermogen voor deze voorraden zelf aangetast kunnen worden.
Wat houdt afname van biodiversiteit in?
Verlies van biodiversiteit wordt gekarakteriseerd door het afnemen van de dichtheid en verspreiding van veel oorspronkelijke soorten en de toename van slechts enkele soorten, ten gevolge van menselijk ingrijpen. Het uitsterven van soorten is een laatste stap in een lang proces van achteruitgang. Merkwaardig genoeg kan de soortenrijkdom van een ecosysteem gelijk blijven of zelfs toenemen: andere algemene soorten vervangen namelijk de oorspronkelijke. Als gevolg daarvan gaan ecosystemen steeds meer op elkaar lijken. Dit noemt men het homogenisatieproces.
Waarom zijn graadmeters voor biodiversiteit nodig?
Om de beleidsmakers te ondersteunen is een beperkte set eenvoudige en plausibele biodiversiteits-graadmeters van essentieel belang. Zo'n graadmeterset moet het proces van biodiversiteitsverlies (ook wel homogenisatie genoemd) van ecosystemen goed en eenvoudig weergeven. Zulke indicatoren zijn ook nodig om het bereiken van CBD-doelstellingen (CBD=Convention on Biological Diversity) te toetsen. In 2002 hebben de lidstaten van de CBD in Den Haag afgesproken om de afname van de biodiversiteit per 2010 significant te verminderen.
Deze doelstelling geldt op mondiale, regionale en nationale schaal. Kort daarna besloten de Europese Unie en vervolgens pan-Europa een ambitieusere doelstelling af te spreken en de afname van biodiversiteit in 2010 te stoppen (Pan-Europese Milieu-ministers-conferentie van Kiev, Environment for Europe, 2003).
In 2008 heeft het PBL een rapportage gemaakt waarin aan de hand van deze indicatoren wordt nagegaan of Nederland de 2010-biodiversiteitsdoelen kan halen.
Welke graadmeters voor biodiversiteit worden gehanteerd?
In 2004 is mondiale overeenstemming bereikt over een set van biodiversiteit-indicatoren om direct de voortgang van het bereiken de CBD-2010-doelstellingen te kunnen meten. Dit zijn:
- De ontwikkelingen in het oppervlak van biomen, ecosystemen en habitats
- De ontwikkelingen in de abundantie (populatie-omvang) en verspreiding van geselecteerde soorten
- De ontwikkelingen in de situatie van beschermde soorten
- De ontwikkelingen in de genetische diversiteit van (landbouw)huisdieren, cultuurplanten en vissoorten van sociaal-economisch belang.
Naast deze zijn indicatoren vastgesteld voor ondere andere bedreigingen, duurzaam gebruik en het vermogen goederen en diensten te leveren. De CBD beveelt aan deze "2010-indicatoren" ook op regionale en nationale schaal te gebruiken - om redenen van efficiëntie en consistentie (CBD besluit VII/30).
In mei 2004 werd in de "Message of Malahide" een eerste set Europese Biodiversiteits-indicatoren gepubliceerd, waarmee de voortgang van de Europese 2010 doelstellingen getoetst kan worden. Deze regionale indicatoren zijn geheel in lijn met de mondiale indicatoren zoals aanbevolen in de CBD. De Raad van Europa (in dit geval de ministers van milieu) heeft de Europese commissie gevraagd om deze set te ontwikkelen, te testen en in 2010 definitief te maken.
Sinds 1997 heeft de Nederlandse overheid actief bijgedragen aan de graadmeterontwikkeling in de CBD, de OECD en Europa. Een belangrijk doel was om uit te komen met een en dezelfde set. In Nederland bestaat een samenwerking tussen het MNP, het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselveiligheid, Rijkswaterstaat, provincies, CBS en verschillende PGO's voor het implementeren van graadmeters, in het bijzonder de tweede. Deze indicator is gebaseerd op een brede soortenset die gemonitord wordt in het NEM (Netwerk Ecologische Monitoring). Met geaggregeerde indicatoren worden overzichten van de status en ontwikkeling van soorten en ecosystemen gegeven. MNP rapporteert deze o.a. in Natuurverkenningen en Natuurbalansen. Voor het geven van een overzicht worden geaggregeerde indicatoren gebruikt zoals de Soortgroep Trend Indexen (STI's; hoe gaat het met de vogels of vlinders?), de Rode Lijst Indicator(RLI) en de Natuurwaarde (in het Engels NCI - Natural Capital Index). De Natuurwaarde geeft een totaalbeeld van het proces van de homogenisatie van ecosystemen: het gecombineerde effect van habitatverlies (areaal) en achteruitgang van de kwaliteit van Nederlandse ecosystemen. De Natuurwaarde wordt apart berekend voor natuurlijke en cultuur ecosystemen.
Deze geaggregeerde indicatoren zijn ook besproken in de CBD. De Natuurwaarde is ook goed toepasbaar gebleken in Europese en mondiale verkenningen. Het ontbreken van abundantiegegevens op hogere schaalniveau's kan worden opgevangen door de Natuurwaarde te schatten op basis van drukfactoren.
Wat is de natuurwaarde?
De graadmeter Natuurwaarde geeft een beeld van de veranderingen in de kwaliteit én kwantiteit van de natuur. Deze graadmeter beoogt het natuurverlies ten opzichte van een relatief ongestoorde situatie (referentie) in beeld te brengen. Als referentie wordt voor natuurgebieden meestal de periode rond 1900 of eerder aangehouden.
De natuurkwaliteit wordt bepaald door het huidige voorkomen van kenmerkende soorten te vergelijken met het voorkomen in de referentie-periode. Komt de huidige situatie overeen met die van de referentie, dan is de kwaliteit 100%. Maar als soorten minder talrijk zijn of zelfs uitgestorven, dan is de kwaliteit lager. De natuurkwaliteit wordt vastgesteld aan de hand van het voorkomen van bepaalde soorten planten, vogels, zoogdieren, reptielen, vissen, aquatische macrofauna, vlinders en weekdieren. Per ecosysteemtype (bos, heide, moeras, duin, vennen, beken, meren, grote zoete wateren, brakke en zoute wateren, agrarisch gebied) zijn kenmerkende soorten geselecteerd en hun huidige talrijkheid is vergeleken met die van de referentie. Daaruit komt een verhoudingsgetal (index).
De natuurkwantiteit van een ecosysteemtype is de huidige oppervlakte binnen Nederland gedeeld door die in de referentieperiode. Dat is ook een index.
De natuurwaarde wordt eerst per afzonderlijk ecosysteemtype bepaald door de kwantiteitsindex te vermenigvuldigen met de kwaliteitsindex. Een waarde voor een groter gebied, bijvoorbeeld heel Nederland, wordt bepaald door de waarden van alle ecosystemen te middelen, gewogen naar hun oppervlakte.
De natuurwaarde voor Nederland staat vermeld in het Natuurcompendium.
Zie ook: Halting biodiversity loss in the Netherlands: evaluation of progress
Hoe staat het met de biodiversiteit in Nederland?
De biodiversiteit in Nederland is fors achteruitgegaan. De kwaliteit van bossen, heide, meren en plassen, de rivieren en de zoute delta is het meest achteruitgegaan. De natuurkwaliteit van moerassen, duinen, en de Waddenzee is relatief het hoogst. Door alle arealen en kwaliteiten van de natuurlijke ecosystemen te combineren kan de Natuurwaarde voor Nederland (incl. alle wateren en de 12-mijl zone van de Noordzee) worden berekend. Met een gemiddelde natuurkwaliteit van 44% en een oppervlakte-aandeel van 41% is de Natuurwaarde rond 2000 voor heel Nederland 18%. Rond 1950 was de Natuurwaarde 30% en omstreeks 1900 55%. Dit betekent dat in de afgelopen 100 jaar de populaties van de inheemse wilde soorten een factor drie kleiner zijn geworden.
De Natuurwaarde van de landbouwgebieden daalde van ongeveer; 51% in 1950 tot ca. 17% in 2000, een afname van de gemiddelde populaties met een factor 3 in 50 jaar.
Als indicator voor de biodiversiteit hanteert het PBL, in lijn met de CBD en de EU, de combinatie van de omvang van ecosystemen en de abundantie van soorten. Dit is de Natuurwaarde of MSA (Mean species Abundance). De Natuurwaarde geeft een beeld van de gemiddelde populatieomvang van de inheemse soorten vergeleken met de natuurlijke situatie of een benadering hiervan, door verlies van habitat en verlies van kwaliteit in het resterende habitat. Dit levert een beeld van de menselijke invloed op de wilde natuur.
Daarnaast wordt voor landbouwgebieden een eigen natuurwaarde bepaald omdat deze in Nederland een hoge en specifieke waarde wordt toegekend. De Natuurwaarde-landbouw geeft een beeld van de gemiddelde populatieomvang van de kenmerkende soorten vergeleken met die in de extensieve, soortenrijke landbouwsystemen van voor 1950. Beide Natuurwaarden zijn in Nederland sterk afgenomen doordat zowel de kwaliteit van de natuur is afgenomen als de oppervlakte aan natuurgebied en agrarisch gebied.
Hoofdoorzaken in natuurlijke gebieden zijn vermesting, verzuring, verdroging, versnippering, overexploitatie en vermindering van de oppervlakte natuurgebieden in de 20e eeuw.
Hoe wordt de biodiversiteit gemeten?
In Nederland is het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) een van de belangrijkste leveranciers van gegevens over de ontwikkeling van biodiversiteit. In het NEM worden de trends van planten- en diersoorten in het veld gemeten. Deze trends geven de voor- en achteruitgang van specifieke soorten aan.
Dit werk wordt uitgevoerd door de PGO’s (Particuliere Gegevensleverende Organisaties), de provincies en de onderzoeksinstituten RIZA en RIKZ. Veel soorten worden gevolgd omdat ze "beleidsrelevant" zijn. Dat houdt in dat ze een rol hebben in beleidskaders als de Vogel- en Habitatrichtlijnen, de Flora- en Faunawet, de soortbeschermings-plannen of de Trilaterale Waddenzeeovereenkomst. Dit betreft soortgroepen als reptielen, amfibieën, vogels, zoogdieren, vlinders en libellen.
Daarnaast worden soorten gevolgd die de effecten van milieudruk weergeven. Hiervoor worden soortgroepen als de hogere planten, korstmossen en bospaddestoelen gebruikt. Deze groepen bevatten soorten met een goed bekende gevoeligheid voor bijvoorbeeld de stikstofdepositie. Van deze gegevens wordt gebruikt gemaakt bij het invullen van de Graadmeter Natuurwaarde, een indicator die het verlies aan biodiversiteit ten opzichte van een goed ontwikkelde situatie aangeeft.
Om na te gaan hoe de biodiversiteit over Nederland verdeeld is wordt verspreidingsonderzoek uitgevoerd. De coordinatie hiervan ligt bij de Gegevensautoriteit Natuur (GA). Het veldonderzoekwordt uitgevoerd door de PGO’s, die de het inventarisatiewerk van vrijwilligers in Nederland bundelen. De PGO's zijn verenigd in de VOFF (Vereniging Onderzoek Flora en Fauna). Het Planbureau voor de Leefomgeving maakt regelmatig gebruik van de gegevens die door hen verzameld worden.
aan afzonderlijke alterra atlas beeld beelden beelden. bekeken daarbij daarnaast de deze diversiteit een en gebruikt geeft gegevens habitatrichtlijnsoorten heeft het in informatie kan komen. landelijke lijsten lnv maken ministerie nederland nederlandse of om omgezet oogmerk ook opgeteld opsporen over p planten. plantengemeenschappen plekken rode soorten te tesamen tot van vanuit variatie veel verspreiding verspreidingsbeelden voorkomen waar weergeven worden zijn.
Hoe wordt de biodiversiteit in Nederland beschermd?
De biodiversiteit in Nederland wordt beschermd door een combinatie van Europese en nationale regelgeving. Europese regels zijn de vogel- en habitatrichtlijn en de rode lijsten. Nationaal beleid betreft met name de ontwikkeling van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, gebiedenbeleid) en de soortbeschermingsplannen (soortenbeleid of leefgebiedenbenadering). Rode lijsten bevatten soorten die ernstig bedreigd worden. In de Nederlandse Flora- en Faunawet wordt deze bescherming geregeld.
Soortbeschermingsplannen geven aan welke extra maatregelen nodig zijn om bedreigde soorten in Nederland veilig te stellen. De activiteiten kunnen de verbetering van milieukwaliteit betreffen, aanpassingen in de waterhuishouding en specifieke beheersmaatregelen, binnen de ecologische hoofdstructuur en in bepaalde gevallen daar buiten. Er zijn nu zo’n 40 plannen in werking.
Verder zijn in Nederland 20 nationale parken ingesteld waarin de natuur beschermd wordt.
Hoeveel soorten planten en dieren zijn er in Nederland?
In Nederland komen circa 25.000 diersoorten voor en meer dan 10.000 plantensoorten. Insecten vormen de grootste groep diersoorten, met vooral veel soorten kevers, vliegen, muggen, bijen, wespen en mieren. Andere soortenrijke diergroepen zijn nematoden, mijten en kreeftachtigen.
Opvallende soortgroepen als vogels en zoogdieren hebben veel minder soorten. De grootste groep planten bestaat uit schimmels: paddestoelen en microfungi. Daarnaast zijn er veel groenwieren en zaadplanten. Behalve inheemse soorten zijn er bij diverse soortgroepen ook heel wat exoten bekend die in Nederland voorkomen.
- Meer informatie in het Milieu- en Natuurcompendium
- Zie ook: Biodiversiteit in Nederland
Levert klimaatverandering gevaar op voor de biodiversiteit in Nederland?
De temperatuurstijging heeft zichtbare effecten op de natuur: het groeiseizoen begint eerder en eindigt later, vogels broeden eerder en zuidelijke, warmteminnende planten- en diersoorten breiden hun leefgebied uit naar het noorden.
In de Natuurbalans 2003 kreeg dit onderwerp speciale aandacht. Daar werd bericht dat de snelheid van de temperatuurverandering hoger ligt dan de bovengrens die Nederland als uitgangspunt voor het klimaatbeleid heeft gesteld. Deze bovengrens is afgestemd op een tempo waarbij soorten veranderingen van het klimaat kunnen bijbenen. Om biodiversiteit te behouden, is het beleid daarom zowel gericht op vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en daarmee verlaging van het tempo van opwarming, als op het faciliteren van de aanpassing van planten en dieren aan de klimaatverandering. Daarvoor dient ook het netwerk van natuurgebieden, dat in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) wordt ontwikkeld.
Welke gebieden in Nederland hebben een hoge biodiversiteit?
Het antwoord hangt af van de manier waarop je tegen biodiversiteit aankijkt. Doorgaans wordt een hoge biodiversiteitwaarde toegekend aan gebieden waar veel, en vaak ook nog zeldzame soorten leven. Deze zeldzame soorten kunnen daar voorkomen omdat er bijzondere milieu-omstandigheden zijn, b.v. een speciale combinatie van natte, kalkrijke en voedselarme omstandigheden, of omdat er al zeer lang sprake is van een ongestoorde natuurlijke ontwikkeling van het ecosysteem. Voorbeelden zijn oude bossen, de weerribben, de duinen, onafgegraven hoogveengebieden. Biodiversiteit wordt dan gezien door de bril van soortenrijkdom.
Tegenwoordig wordt soortenrijkdom niet meer als dé indicator van biodiversiteit gezien. Uit de discussies en de indicatoren van de CBD blijkt dat de aanwezigheid en abundantie van de oorspronkelijke soorten als een belangrijker kenmerk ziet. Immers, het verlies van biodiversiteit is vaak niet zozeer het uitsterven van een soort, maar eerder het kleiner en kleiner worden van de populaties van de oorspronkelijke soorten. Deze worden dan vervangen door cultuurvolgers, soorten die zich goed kunnen aanpassen bij menselijke handelingen of juist door mensen worden geactiveerd zoals landbouwgewassen en huisdieren. Uitsterven is slechts een laatste stapje in een lang proces, maar meestal vinden soorten nog wel laatste overlevingsplekken zoals in reservaten.
Zo is het aantal gewervelde diersoorten en hogere planten in Nederland in de laatste honderd jaar niet af- maar toegenomen, zowel op lokale, regionale en nationale schaal, terwijl de gemiddelde populatiegrootte van de oorspronkelijke soorten met een factor drie afnam (de Natuurwaarde). Kijkt men op deze wijze dan zijn gebieden met een hoge biodiversiteit de gebieden waar de oorspronkelijke soorten nog de populatieomvang uit de (vrijwel) natuurlijke situatie benaderen.
Hoe staat het met de biodiversiteit in Europees verband?
De voortdurende exploitatie van land en water heeft tot afname van de biodiversiteit in Europa geleid. Volgens voorlopige berekeningen van het PBL bedraagt Europa's Natuurwaarde momenteel 45%. Dat wil zeggen dat de populaties van Europa's oorspronkelijke wilde soorten gemiddeld 45% bedraagt van die in ca. 1850. Uit deze berekeningen bleek tevens dat het onwaarschijnlijk is dat de doelstelling om het verlies in 2010 te stoppen zal worden gehaald. Drukfactoren zoals wegen, intensivering van de landbouw, klimaatverandering en over-exploitatie van de visvoorraden blijven of worden groter.
De hervorming van het Europese landbouwbeleid geeft meer mogelijkheden voor ecologische landbouw. Hier liggen kansen voor de lidstaten om het verlies aan biodiversiteit te beperken. Ook het voldoen aan de nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn water kunnen hieraan bijdragen.
Wat houdt de Convention on Biological Diversity (CBD) in?
In 1992 is het Verdrag inzake de Biologische Diversiteit (Engelse afkorting: CBD) opgesteld op de "Earth Summit" in Rio de Janeiro. Het is op 29 december 1993 in werking getreden. Er zijn inmiddels meer dan 180 landen partij in de conventie, inclusief Nederland en de Europese Unie. Het doel van de Conventie is het behoud van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan en de rechtvaardige verdeling van opbrengsten die voortvloeien uit het gebruik ervan. Het belang van biodiversiteit wordt hierbij niet alleen vanuit de mens bekeken, maar ook vanuit dat van de eigen, intrinsieke waarde van de natuur.
De Conventie verplicht de leden om op nationaal niveau voorzieningen te treffen voor het behoud en duurzame gebruik van bestanddelen van de biodiversiteit. Verder is voorzien in:
- fondsen en technologische bijstand voor ontwikkelingslanden zodat deze kunnen voldoen aan de verplichtingen van het Verdrag,
- het verzekeren van de toegang tot genetische bronnen en de verdeling van de opbrengsten hieruit;
- het creëren van biotechnologische veiligheidsvoorschriften, waarvoor nu onder de term "biosafety" een apart protocol is aangenomen.
Het Verdrag verplicht partijen om nationale strategieën te ontwikkelen als kader voor concrete activiteiten. De strategie voor biologische diversiteit van de Nederlandse overheid is opgebouwd uit de beleidsplannen voor natuurbeheer, ruimtelijke ordening, milieu, water en ontwikkelingssamenwerking en het Strategisch Plan van Aanpak Biologische Diversiteit.
