De graadmeter Natuurwaarde geeft een beeld van de veranderingen in de kwaliteit én kwantiteit van de natuur. Deze graadmeter beoogt het natuurverlies ten opzichte van een relatief ongestoorde situatie (referentie) in beeld te brengen. Als referentie wordt voor natuurgebieden meestal de periode rond 1900 of eerder aangehouden.
De natuurkwaliteit wordt bepaald door het huidige voorkomen van kenmerkende soorten te vergelijken met het voorkomen in de referentie-periode. Komt de huidige situatie overeen met die van de referentie, dan is de kwaliteit 100%. Maar als soorten minder talrijk zijn of zelfs uitgestorven, dan is de kwaliteit lager. De natuurkwaliteit wordt vastgesteld aan de hand van het voorkomen van bepaalde soorten planten, vogels, zoogdieren, reptielen, vissen, aquatische macrofauna, vlinders en weekdieren. Per ecosysteemtype (bos, heide, moeras, duin, vennen, beken, meren, grote zoete wateren, brakke en zoute wateren, agrarisch gebied) zijn kenmerkende soorten geselecteerd en hun huidige talrijkheid is vergeleken met die van de referentie. Daaruit komt een verhoudingsgetal (index).
De natuurkwantiteit van een ecosysteemtype is de huidige oppervlakte binnen Nederland gedeeld door die in de referentieperiode. Dat is ook een index.
De natuurwaarde wordt eerst per afzonderlijk ecosysteemtype bepaald door de kwantiteitsindex te vermenigvuldigen met de kwaliteitsindex. Een waarde voor een groter gebied, bv heel Nederland, wordt bepaald door de waarden van alle ecosystemen te middelen, gewogen naar hun oppervlakte.
De natuurwaarde voor Nederland staat vermeld in het Natuurcompendium
Meer informatie:
terug naar de vragen