Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de subnavigatieNaar de hoofdinhoud

Veelgestelde vragen

Wat is klimaatverandering?

Zekerheden en onzekerheden over klimaatverandering

Effecten van klimaatverandering

Klimaatonderzoek

Kyoto Protocol

Platform klimaatverandering (PCCC)

Wat is klimaat?

Klimaat is het gemiddelde weer. Over een periode van tientallen jaren meten meteorologen op vele plaatsen op aarde temperatuur, vochtigheidsgraad, luchtdruk, wind, bewolking en neerslag. Daarnaast kijken ze naar dagelijkse en jaarlijkse variaties en hoe vaak extremen, zoals hittegolven en zware regens met wateroverlast, voorkomen. Op deze manier kan men zien hoe het klimaat zich over een langere periode ontwikkelt.

Waarom stijgt de temperatuur op aarde?

De zon verwarmt de aarde. Een deel van de zonnestralen warmt de aardbodem en de zeeën en oceanen op. Een ander deel wordt teruggekaatst in de dampkring. Hier bevinden zich broeikasgassen, zoals waterdamp, koolstofdioxide en methaan, die als het ware een warme deken om de aarde leggen. Ze zorgen ervoor dat de warmte uit de teruggekaatste zonnestralen gedeeltelijk wordt vastgehouden. De opwarmende werking van deze deken heet het natuurlijke broeikaseffect. Dit broeikaseffect zorgt ervoor dat het op aarde niet 18 ºC onder nul, maar 30 ºC warmer is. Dit is warm genoeg voor leven op aarde.

De meeste wetenschappers zijn het er over eens dat de mens dit broeikaseffect beïnvloedt. Omdat we steeds meer gas, elektriciteit, benzine en diesel gebruiken, blazen we steeds meer koolstofdioxide (CO2) in de atmosfeer. De toename van de concentratie van CO2 en andere broeikasgassen versterkt het broeikaseffect, waardoor het op aarde steeds warmer wordt. Als de mens broeikasgassen aan de atmosfeer blijft toevoegen, zal de gemiddelde temperatuur op aarde blijven stijgen.

Wat zijn de voornaamste broeikasgassen?

Broeikasgassen zijn gassen die bijdragen aan de opwarming van de dampkring. De belangrijkste zijn: koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), lachgas (N2O) en de fluorverbindingen gehalogeneerde waterstoffen (hfk's), fluorstoffen (pfk's) en zwavelhexafluoride (SF6). Koolstofdioxide is het belangrijkste broeikasgas. Het draagt voor ruim de helft bij aan het versterkt broeikaseffect. Methaan is verantwoordelijk voor ongeveer 20% van dit effect; lachgas en fluorhoudende gassen nog minder. Daarom worden methaan, lachgas en de fluorhoudende gassen wel 'overige broeikasgassen' genoemd. Via het programma Reductie overige broeikasgassen (ROB) probeert de overheid de uitstoot van deze gassen te verminderen.

Is broeikaseffect hetzelfde als het gat in de ozonlaag?

Nee. Met het broeikaseffect wordt de opwarming van de dampkring door broeikasgassen bedoeld. De ozonlaag bevindt zich in de stratosfeer, het deel van de atmosfeer dat tussen twaalf en vijftig kilometer hoogte ligt. De ozonlaag beschermt het leven op aarde tegen schadelijk ultraviolet zonlicht. De laatste tientallen jaren is de ozonlaag dunner geworden. Elk jaar is gedurende enkele maanden aan de zuidpool een extra afname van de ozonlaag te zien, het zogenaamde het gat in de ozonlaag. Ozon in de ozonlaag wordt afgebroken door chloorhoudende koolwaterstoffen zoals cfk's, hcfk's en halonen. Deze stoffen zitten in piepschuim, isolatieschuim, koelvloeistoffen, reinigingsmiddelen en brandblussers. CFK's zijn wereldwijd verboden conform Montreal Protocol.

Hoeveel CO2 stoot de mens eigenlijk per dag uit?

De CO2-concentratie op aarde is het resultaat van een complex stelsel van kringlopen waarbij vele processen een rol spelen. Daarbij is CO2 niet het enige broeikasgas dat de opwarming van de aarde veroorzaakt (zo spelen ook methaan en distikstofoxide een belangrijke rol).

De uitademing van CO2 door mens en dier is echter niet het probleem. Wat mens (en dier) uitademt aan CO2 is het resultaat van verbranding van ons voedsel. De koolstof van de CO2 is afkomstig uit het voedsel (koolstofverbindingen: suikers, koolhydraten). De koolstofverbindingen uit ons voedsel (plantaardig en dierlijk) zijn allemaal weer het resultaat van de fotosynthese: het biologische proces waarbij planten CO2 en water binden tot suikers en zuurstof. De CO2 die wij uitademen is dus korte tijd daarvoor uit de lucht opgenomen.

Voor plantaardig voedsel is dit in de orde van één groeiseizoen wanneer het vers voedsel betreft, tot een paar jaar wanneer het gedroogd of diepvries is. Voor dierlijk voedsel kan dit tot enkele jaren zijn omdat die dieren hun koolstof weer hebben uit plantaardig voedsel (vnl. veevoer).

In alle gevallen is dit dus een snelle kringloop, die niet leidt tot een verhoging van de CO2-concentratie.

Het probleem zit veel meer in het energiegebruik van de mensen. Meer mensen verbruiken meer energie en die energie is voornamelijk afkomstig uit het verbranden van fossiele brandstoffen. De koolstof die daar in zit wordt tijdens de verbranding ook omgezet in CO2 maar is gedurende vele honderden miljoenen jaren aan de atmosfeer onttrokken en wordt er nu gedeeltelijk in relatief korte tijd in teruggebracht. Dit leidt tot een verhoging van de CO2-concentratie in de atmosfeer.

Daarbij komt dat voor wonen, werken en voedselproductie ten behoeve van mensen ruimte nodig is. Deze ruimte wordt onttrokken aan natuurlijke systemen steppen, savannes, tropisch regenwoud waardoor de koolstof die in deze natuurlijke vegetatie was, vrijkomt. Hierdoor wordt de natuurlijke kringloop tussen productie en binding van koolstof verder verstoord.

Wat weten we met zekerheid over klimaatverandering?

  • Er zijn harde bewijzen dat de CO2-concentratie in de lucht in geen 800.000 jaar zo hoog is geweest als nu.

  • De toename van de CO2-concentratie is met zekerheid afkomstig van verbranding van olie, gas, kolen en ontbossing.

  • Het staat vast dat CO2 in de atmosfeer ervoor zorgt dat de aarde opwarmt.

  • Het is zeker dat de gemiddelde wereldtemperatuur is gestegen met ca. 0,8 graden C sinds het begin van de industriële revolutie en in Noordwest-Europa (waaronder Nederland) met 1,5 graad C. Deze stijging is door directe metingen waargenomen.

  • Sinds 2000 zijn acht van de tien warmste jaren voorgekomen sinds we de temperatuur meten (ongeveer 1850).

  • Klimaat kent ook een natuurlijke variatie, met tijdschalen van enkele jaren tot tientallen jaren. Deels wordt deze natuurlijke variatie door externe factoren veroorzaakt (zoals zon en vulkanen), deels is er sprake van interne variabiliteit van het klimaatsysteem (zoals veranderingen in oceaanstromingen, El Niño’s en andere interne schommelingen).

  • De zeespiegel stijgt en gletsjers verdwijnen gemiddeld wereldwijd.

Wat weten we bijna zeker?

  • Het grootste deel van de opwarming van de laatste vijftig jaar is volgens het wetenschappelijk klimaatpanel van de VN, het IPCC, ‘zeer waarschijnlijk’ toe te schrijven aan door de mens uitgestoten broeikasgassen (meer dan 90% kans). De klimaatwetenschappers kunnen de vastgestelde opwarming van de aarde alleen goed verklaren als de optelsom van invloeden van de broeikasgassen, de zon, de vulkanen, en natuurlijke schommelingen binnen het klimaatsysteem (met name veroorzaakt door oceanen).

  • De afzwakking van de opwarming die we de afgelopen jaren zien is zeer waarschijnlijk het resultaat van variaties in oceaanstromingen (interne variabiliteit van het klimaatsysteem), met mogelijk ook een rol voor de zon. Er hebben zich eerder dit soort perioden voorgedaan (bijvoorbeeld 1987–1996). Ondertussen stijgt de gemiddelde temperatuur gewoon door, dus de opwarming door broeikasgassen is niet tot stilstand gekomen.

Wat weten we niet zeker?

  • Het is onbekend hoeveel warmer het in de toekomst precies zal worden door verdere toename van de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer. Dit komt onder andere doordat niet bekend is wat de exacte invloed is van wolken, stofdeeltjes en waterdamp. Volgens een recent rapport van het PBL ligt de opwarming zonder klimaatbeleid in het jaar 2100 tussen 2 en 6 graden Celsius.

  • Natuurlijke variaties zoals veranderingen in oceaanstromingen en in de intensiteit van de zonnestraling zijn niet goed te voorspellen. De invloed van deze variaties is echter niet zo groot in vergelijking met de opwarming die we de komende decennia verwachten bij ongewijzigd beleid.

  • De voorspelde effecten van klimaatverandering op lokale en regionale schaal zijn onzekerder dan de gemiddelde uitkomsten voor de aarde als geheel. Dat maakt het lastiger om de effecten voor bijvoorbeeld Nederland of een gebied binnen Nederland goed te voorzien. Wel is het zo dat de opwarming in de buurt van de polen sneller gaat dan in de tropen. In Siberië is de temperatuur al 3 C hoger dan aan het begin van de industriële revolutie. Over het algemeen warmt het boven land sneller op dan boven de oceaan. Nu al is geconstateerd dat Nederland tweemaal sneller opwarmt dan de wereldgemiddelde temperatuur.

  • De afgelopen duizend jaar was het op het noordelijk halfrond waarschijnlijk kouder dan nu (meer dan tweederde kans). Geheel zeker is dat dus niet.

Wat zijn de gevolgen van het broeikaseffect?

De exacte gevolgen van wereldwijde klimaatveranderingen zijn moeilijk te voorspellen. Op sommige plaatsen zal het warmer worden, op andere plaatsen juist kouder of natter of droger. Duidelijk is dat het natuurlijke evenwicht uit balans raakt waardoor bijvoorbeeld opeenvolgende oogsten kunnen mislukken, een tekort aan drinkwater ontstaat en de kans op overstromingen toeneemt. Water zet uit als het warmer wordt. De laatste honderd jaar is de zeespiegel tussen de 5 en 10 centimeter gestegen. Laaggelegen landen als Nederland zijn vanzelfsprekend extra kwetsbaar. De zwaarste klappen zullen vallen in ontwikkelingslanden, vooral in laaggelegen tropische en droge tropische gebieden. De belangrijkste gevolgen van klimaatveranderingen op een rijtje: - Zeespiegelstijging. Bij de huidige stijging van het zeewaterniveau zal volgens voorspellingen het aantal mensen dat getroffen wordt door overstromingen toenemen van 13 naar 94 miljoen per jaar. - Aantasting van ecosystemen. Klimaatverandering gaat gepaard met de verschuiving van klimaatzones. Sommige planten en dieren kunnen zich hieraan niet snel genoeg aanpassen en worden met uitsterven bedreigd. Klimaatverandering zal op een aantal plaatsen leiden tot meer droogte, met meer bosbranden en woestijnvorming als gevolg. - Zoetwatertekort. Een groot gedeelte van de wereldbevolking leeft in landen waar een tekort is aan schoon zoet water. Dit wordt, naarmate de wereldbevolking groeit, alleen maar een groter probleem. Klimaatverandering zal het watertekort in diverse regio's, zoals het Midden-Oosten, de Sahel en Australië, alleen maar groter maken. - Afname van landbouwproductiviteit. Zeker in gebieden waar droogte door klimaatverandering toeneemt, zoals het Midden-Oosten en India.

Wat merkt Nederland van het broeikaseffect?

Ook Nederland krijgt te maken met de gevolgen van klimaatverandering. Zo wordt de kans dat rivieren buiten hun oevers treden groter. Dat zal van invloed zijn op het ruimtegebruik. Verder heeft de stijging van de zeespiegel niet alleen gevolgen voor de kustbescherming, maar ook voor de landbouw (verzilting) en voor de Waddenzee.

Hoe kun je het klimaat voorspellen als het weerbericht van volgende week vaak al niet deugt?

Een weersverwachting doet een uitspraak over het weer in de toekomst. Een klimaatverwachting doet een uitspraak over het gemiddelde weer (=klimaat) in de toekomst. Het gaat er dus niet om of het regent op 18 april 2050, maar of de kans op regen die dan verwacht wordt klopt. Het blijkt dat dergelijke kansen veel beter voorspelbaar zijn dan het weer op korte termijn zelf.

Wat zijn CO2-equivalenten en wat is GWP?

Vaak wordt de uitstoot van de broeikasgassen uitgedrukt in CO2-equivalenten, afgekort CO2-eq. Dit is een rekeneenheid om de bijdrage van broeikasgassen aan het broeikaseffect onderling te kunnen vergelijken. Het is gebaseerd op het ‘Global Warming Potential’ (GWP), dat is de mate waarin een gas bijdraagt aan het broeikaseffect. Zo heeft methaan een GWP van 21 CO2-eqen zwavelhexafluoride (SF6) een GWP van 23.900 CO2-eq. Dat houdt in dat 1 kilo methaan over een periode van 100 jaar 21 maal zoveel aan het broeikaseffect bijdraagt als 1 kilo CO2. Zwavelhexafluoride warmt zelfs 23.900 keer meer op dan CO2. Het GWP-concept is ontwikkeld door het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Overigens kunnen concentraties ook worden uitgedrukt in CO2-equivalente concentraties. Hierbij wordt de hoeveelheid warmte die elk broeikasgas vasthoudt (uitgedrukt in Watt per km2) gesommeerd en teruggerekend naar CO2-volume. Dit resulteert dus ook in een CO2-equivalente concentratie in ppmv. Deze concentratie-eenheid wordt gebruikt om stabilisatiedoelstellingen te bepalen.

Is het verband tussen klimaatverandering en de concentratie van broeikasgassen bewezen?

Directe bewijzen zijn er niet. In feite kan het nog steeds zo zijn dat de huidige klimaatverandering is veroorzaakt door natuurlijke variabiliteit. Echter, de kans dat dit ook echt zo is wordt met het jaar kleiner, zoals ook blijkt uit de rapportage van de IPCC uit 2007. Hierin wordt betoogd dat op basis van zeer veel studies (b.v. ten aanzien van de veranderende verspreiding van dier-en plantensoorten, het smelten van noordpoolijs, de waargenomen veranderingen in groeiseizoenen, de afname van gletsjers, de toenamer van hittegolven, etc, etc,) kan worden geconcludeerd dat het zeer waarschijnlijk is dat het klimaat (sterk) aan het veranderen is. Vervolgens kan op basis van modelstudies worden aangetoond (maar niet bewezen) dat de opwarming sinds 1980 niet valt te reproduceren als de menselijke invloed wordt weggelaten (tenzij extreme standpunten wordeningenomen ten aanzien van bepaalde processen, zoals de invloed van de zon). 

De zogenaamde 'hockeystick' is geen theorie, maar een reconstructie van de temperatuur van de afgelopen 1000 jaar en bewijst als zodanig helemaal niets. Indien de reconstructie juist is, laat het alleen zien dat de gemeten temperatuur in de afgelopen 140 jaar in rap tempo is gestegen naar een nivo dat hoger is dan enig nivo sinds het jaar 1000. Illustratief, maar niets meer dan dat. Wat b.v. ook zeer illustratief is, is het feit dat de huidige CO2 concentratie 100 ppm ligt boven het hoogste nivo van deafgelopen 650.000 jaar. In die periode schommelde de CO2 concentratietussen 180 en 280 ppm, precies in fase met temperatuur. Ook dit bewijst niets, maar is wederom een aanwijzing dat er grote veranderingen gaande zijn.

Haalt Nederland zijn doelstelling voor het Kyoto Protocol?

In de Kyoto-periode van 2008 tot en met 2012 mag Nederland maximaal gemiddeld 200 Mton CO2-equivalenten per jaar uitstoten. Dat doel wordt waarschijnlijk gehaald dankzij de aankoop van buitenlandse emissierechten. Echter, in sommige situaties heeft de overheid extra emissierechten nodig. Dit is het geval als de economie zich snel herstelt, als de opbrengsten van aangekochte buitenlandse emissierechten tegenvallen en/of wanneer de winters in 2011 en 2012 kouder uitvallen dan gemiddeld.

In de vijf jaar van de Kyoto-periode (2008 tot en met 2012) mag de totale binnenlandse emissie maximaal 1.001 megaton voor de gehele periode zijn. Hiervan is 437 megaton gereserveerd voor emissies van Nederlandse bedrijven die deelnemen aan het Europese emissiehandelssysteem (ETS). Een eventuele overschrijding van die emissieruimte heeft echter geen invloed op de het halen van de Kyoto doelstelling. Als de emissies van ETS bedrijven boven dit plafond uitkomen, moeten bedrijven dat namelijk zelf compenseren met in het buitenland aangekochte emissierechten.

De verwachte emissie van de niet-ETS-sectoren in de periode van 2008 tot en met 2012 bedraagt 584 tot 614 Mton CO2-equivalenten. De emissieruimte voor de sectoren die niet onder ETS vallen, bedraagt 564 Mton CO2-equivalenten. Dat betekent dat de Nederlandse overheid 20 tot 50 Mton aan buitenlandse emissierechten nodig heeft om binnen de emissieruimte van het Kyoto Protocol te blijven. In dit geval is de rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk en niet de emittenten zelf, zoals bij de ETS-bedrijven. De overheid verwacht dat van de 79 Mton aan emissierechten die zijn gecontracteerd in buitenlandse emissiereducerende projecten (Clean Develpment Mechanism (CDM) - en Joint Implementation (JI) -projecten) 42 tot 50 Mton CO2-equivalenten ook daadwerkelijk beschikbaar zal zijn voor de Kyotoperiode.

Door zowel projectmatige als administratieve/institutionele onzekerheden kan de opbrengst van een CDM- en JI-projecten lager uitvallen dan verwacht. Hier is pas na 2012 zekerheid over.

Bronnen:

Levert het Kyoto Protocol wel een bijdrage aan de beperking van de mondiale uitstoot van broeikasgassen?

De emissiebeperkingen volgens het Kyoto Protocol verschillen van land tot land. Voor de industrielanden die het Kyoto Protocol hebben geratificeerd ligt de verwachte reductie tussen de 1 en 9% (afhankelijk van hoeveel emissies die Rusland zal verkopen). Voor de EU-15, de voormalige 15 landen van de Europese Unie, en voor Nederland zijn deze percentages 8 respectievelijk 6%. Japan moet 6 % terug in zijn uitstoot. Al de genoemde percentages zijn ten opzichte van de uitstoot in 1990. Door gebruik te maken van de mogelijkheid om als groep een gezamenlijke doelstelling te realiseren, heeft de Europese Unie vervolgens emissiereducties per lidstaat vastgelegd. Deze percentages lopen ver uiteen: Luxemburg moet zijn uitstoot met 28% verminderen, terwijl Portugal zijn uitstoot zelfs met 27% mag laten stijgen.

De industrielanden met een emissiebeperking (dus excl. de VS) dienen gezamenlijk ca. 4% minder uit te stoten (inclusief de VS zou dat ca. 5% zijn geweest). Dit is inclusief reducties van goedgekeurde projecten in ontwikkelingslanden (zgn. CDM). Het klimaatbeleid heeft in Nederland al geleid tot ca. 10% minder broeikasgasemissies in de afgelopen 10 jaar. De uitstoot van Nederland en de EU is al 10 jaar gestabiliseerd terwijl de economie is gegroeid.

De ontwikkelingslanden die het Kyoto Protocol hebben geratificeerd dienen volgens het protocol klimaatbeleid te ontwikkelen en uit te voeren om klimaatverandering te beperken, maar hebben geen kwantitatieve emissiebeperking. Het Kyoto Protocol is bij lange na niet genoeg om de klimaatverandering te stoppen, omdat het merendeel van de landen nog niet meedoet met kwantitatieve emissiebeperkingen en de looptijd slechts tot 2010 is. Ondanks de beperkende maatregelen zal de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd blijven toenemen: naar verwachting met zo’n 40% tussen 1990 en 2010. Dit komt door de sterke groei van de emissies in ontwikkelingslanden als China en India, maar ook van bijvoorbeeld de Verenigde Staten. In dit laatste land groeien de emissies in die periode waarschijnlijk met circa 25% als zij niet alsnog overgaan op een actief klimaatbeleid. Ook in de VS wordt beleid gevoerd, nationaal en in vele grote staten. Het belang van het Kyoto Protocol zit dan ook in het feit dat internationale instituties voor klimaatbeleid worden opgebouwd. Wereldwijd is een infrastructuur opgebouwd voor het meten, berekenen en registreren van emissies en van de kennis van emissiereducties.

Gaan de landen met een emissiedoelstelling hun Kyoto-doel halen?

Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft in 2011 de historische emissietrend van de industrielanden met een Kyoto-doelstelling voor de periode 1990-2009 (zoals officieel aan het VN Klimaatsecretariaat gerapporteerd) samengevat en de trend van de laatste drie jaar geëxtrapoleerd. Deze trend geeft een indicatie voor de emissie in de periode 2008 - 2012, waarvan het gemiddelde getoetst wordt aan de Kyotodoelstelling (nog afgezien van het effect van de kredietcrisis).

Industrielanden behalen samen Kyoto-doel 2010

De groep industrielanden met een Kyoto-doel zal gezamenlijk waarschijnlijk gaan voldoen aan het Kyoto-doel van circa 4% reductie (doel exclusief de Verenigde Staten die het Protocol niet geratificeerd hebben). Dit doel wordt zelfs zonder meetellen van de zogenaamde CDM-projecten voor emissiereductie in ontwikkelingslanden gehaald (Figuur, rechterzijde). Als we de trend van de laatste 5 jaar lineair extrapoleren naar 2012 (het laatste jaar van de Kyoto-doelperiode van 2008-2012), dan komt de emissie van deze groep landen in 2008-2012 gemiddeld uit op circa -16%. Als de credits van de CDM-projecten die in de pijplijn zitten meegerekend worden zal dat zelfs nog meer zijn. Wanneer de Verenigde Staten wel wordt meegerekend dan zal de groep met een gemiddelde reductie van 7% in het basisjaarniveau ook ruim het Kyoto-doel van circa 5,2% reductie halen (ook zonder CDM mee te tellen).

Dat de nationale emissietrend van de industrielanden onder deze aannames gezamenlijk op ongeveer -7% uitkomt, komt doordat de groei van de uitstoot in de OESO-landen beperkt is (bijv. in de Europese Unie (15) de laatste 10 jaar gestabiliseerd) en vooral door de sterke reductie van de uitstoot van circa 40% tot 1999 in de Economieën In Transitie (EIT) (Rusland en Oost-Europese landen). Van deze laatste landen neemt echter de emissie samen met het economisch herstel weer langzaam toe, maar voor bijna alle landen geldt dat de recessie van 2008/2009 de uitstoot in de Kyoto-doelperiode met meerdere procenten verlaagd heeft. Voor de huidige 27 landen van de “EU-27” wordt het als groep voldoen aan het Kyoto-doel gemakkelijker omdat de meeste EIT-landen een Kyoto-taakstelling hebben van +1%.

De uitstoot van Verenigde Staten, dat het Kyoto Protocol niet geratificeerd heeft, is sinds 1990 met 10% toegenomen en toont na de zeer sterke afname in 2008 en 2009 door de kredietcrisis (in 2007 was de uitstoot nog 17% boven het niveau van 1990) een vrijwel gelijkblijvende trend. De VS zal dus de oorspronkelijk in het Kyoto Protocol beoogde reductie van 6% niet halen. De VS voert nationaal en ook in de grote deelstaten wel beleid om de uitstoot van broeikasgassen te beperken (verhoging energie-efficiency, reductie van niet-CO2 emissies zoals methaan, verhoging aandeel duurzame energie zoals bioethanol). Het aandeel van de VS in de mondiale broeikasgasemissies is iets kleiner dan dat van de overige OESO’90-landen tezamen.

Wat is de top-25 van landen van de uitstoot van CO2 en van alle broeikasgassen?

In onderstaande figuren staan de schattingen van de CO2-uitstoot in 2010 van fossiele energiegebruik en van cementproductie (waarbij CO2 vrijkomt door een chemische reactie van kalksteen) van de 25 landen met de hoogste uitstoot, inclusief de EU-27 (de 27 landen die nu deel uitmaken van Europese Unie) en voor alle broeikasgasemissies in 2010. Om deze landen-cijfers in perspectief te zetten, worden ook de emissies per persoon en per eenheid Bruto Nationaal Product (BBP) van deze landen vermeld.

De Top-25 bevat 85% van de geschatte mondiale uitstoot van CO2 in 2010 en 80% van de totale uitstoot van broeikasgassen in 2010 (exclusief ontbossing, inclusief is het 77%). De landen met een Kyoto-doel (excl. de Verenigde Staten) hadden in 1990 met 12.700 megaton CO2-equiv. een aandeel van 30% in de mondiale emissies van broeikasgassen; in 2010 was dat gedaald tot circa 25% (11.000 megaton CO2-equiv.) (bron: UNFCCC en EDGAR)

 

 

 

 

Waar kan ik informatie vinden over de voortgang van de industrielanden om hun Kyoto-doelen te halen?

Het VN Klimaatsecretariaat (UNFCCC) geeft op zijn website ‘Quick Facts’  informatie over de officieel door landen gerapporteerde emissies en de zgn. CDM-projecten in ontwikkelingslanden (gepland en goedgekeurd).

Waar kan ik informatie vinden over de recente trend van de broeikasgasemissies van ontwikkelingslanden?

De geïndustrialiseerde landen (in het Kyoto Protocol “Annex I” landen genaamd) rapporteren hun nationale BKG-emissies jaarlijks aan het VN-Klimaatsecretariaat (UNFCCC) in hun ‘National Inventory Report’ 

Ontwikkelingslanden (de zgn. niet-Annex I landen) rapporteren hun broeikasgas (BKG) emissies alleen aan het UNFCCC in hun ‘National Communications on Climate Change Policy’, een rapportage die eens per 3 à 5 jaar plaatsvindt. In deze rapporten wordt de nationale BKG-emissie-inventarisatie geaggregeerd opgenomen en vaak niet voor recente jaren. Op basis van beschikbare internationale statistieken en met standaard IPCC-emissieberekeningsmethoden hebben PBL en het Joint Research Centre (JRC) van de EU in Ispra schattingen gemaakt van de uitstoot van broeikasgassen van alle landen en hun trend tot en met 2005. Deze activiteiten vinden plaats in het zogeheten Emission Database for Global Atmospheric Reserach (EDGAR) project, waarin de mondiale emissieschattingen regelmatig geactualiseerd worden. Hierbij wordt samengewerkt met het Internationaal Energie Agentschap (IEA), dat de energie-gerelateerde CO2-emissies per land berekent. De meest recente land-specifieke BKG-emissieschattingen tot en met 2005 staan in de landentabellen van Deel III van het IEA-boek “CO2 from fuel combustion, ed. 2007”. Nieuwe EDGAR versie 4.2 FT2010 schattingen worden gepubliceerd op de EDGAR-website.

Klimaatportaal met veel gestelde vragen en antwoorden over klimaatverandering.

Het Platform on Climate Change (PCCC) is een onafhankelijk Platform (klimaatportaal.nl) over klimaatverandering waarin zes onderzoeksinstituten -het PBL, KNMI, Wageningen UR (CCB en Alterra), ECN, Klimaatcentrum Vrije Universiteit, Universiteit Utrecht en NWO- samenwerken.