Resterende onzekerheid moet besluiten in Kopenhagen niet in de weg staan

In de media verschijnen elkaar tegensprekende berichten over de stand van de klimaatwetenschap. Het is zaak om goed uit elkaar te houden wat we wel en niet zeker weten over klimaatverandering, betoogt Maarten Hajer, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving. En na te denken over de vraag hoe de wetenschap de politiek in moeilijke kwesties als de klimaatverandering optimaal kan ondersteunen.
Veel staat vast over klimaatverandering
Nu er uitzicht is op een politiek akkoord over klimaatbeleid in Kopenhagen wordt er in de media opeens weer gediscussieerd over de vraag of er daadwerkelijk sprake is van door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde. De discussies richten zich zowel op de heel korte termijn (de laatste tien jaar zien we minder opwarming) als op de heel lange termijn (in de Middeleeuwen zou het wel eens warmer geweest kunnen zijn dan nu). Maar voor Kopenhagen gaat het vooral om de vraag wat de wereld de komende vijftig tot honderd jaar te wachten staat. Wat zijn de feiten die wijzen op een klimaatprobleem? En welke informatie is van belang voor het nemen van politieke besluiten?
Wat weten we zeker over klimaatverandering?
Er zijn harde bewijzen dat de CO2-concentratie in de lucht in geen 800.000 jaar zo hoog is geweest als nu. Die toename van de CO2-concentratie is afkomstig van verbranding van olie, gas, kolen en ontbossing. Het staat vast dat CO2 in de atmosfeer ervoor zorgt dat de aarde opwarmt. Ook is het zeker dat de gemiddelde wereldtemperatuur is gestegen met ongeveer 0,8 graad Celsius sinds het begin van de industriële revolutie. En in Noordwest-Europa (waaronder Nederland) met 1,5 graad. De zeespiegel is gestegen en de meeste gletsjers zijn aan het verdwijnen.
Wat weten we bijna zeker?
De opwarming van de aarde is het gevolg van een optelsom van invloeden: de broeikasgassen, de zon, de vulkanen en natuurlijke schommelingen binnen het klimaatsysteem (met name veroorzaakt door oceanen). Het is zeer waarschijnlijk (meer dan 90 procent kans) dat het grootste deel van de opwarming van de aarde in de laatste vijftig jaar is toe te schrijven aan door de mens uitgestoten broeikasgassen.
De afzwakking van de opwarming die we de afgelopen tien jaar zien, is zeer waarschijnlijk het resultaat van variaties in oceaanstromingen, met mogelijk ook een rol voor de verminderde activiteit van de zon. Over een langere periode bezien blijft de gemiddelde temperatuur echter stijgen.
Wat weten we niet zeker?
We weten niet hoeveel warmer het in de toekomst precies zal worden door verdere toename van de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer. Dit komt onder andere doordat niet bekend is wat de exacte invloed is van wolken, waterdamp en stofdeeltjes. Verder zijn natuurlijke variaties zoals veranderingen in oceaanstromingen en in de intensiteit van de zonnestraling niet goed te voorspellen. De invloed van deze variaties is echter niet zo groot.
Ook zijn de voorspelde effecten van klimaatverandering lokaal en regionaal onzekerder dan de gemiddelde uitkomsten voor de aarde als geheel. Dat maakt het lastiger om de effecten voor bijvoorbeeld Nederland in te schatten.
Rol van de wetenschap
Het is lastig voor de politiek dat de wetenschap geen honderd procent zekerheid verkoopt. Dat is eigen aan de wetenschap. In 1988 heeft de VN opdracht gekregen om het klimaatvraagstuk wetenschappelijk te analyseren. Hiertoe is het wetenschappelijke klimaatpanel van de VN opgericht, het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Dit forum ontwikkelde een manier om alle wetenschappelijke kennis bijeen te brengen. Ondanks alle onzekerheden die horen bij een verschijnsel als klimaatverandering is het in staat gebleken tot uitspraken te komen die bruikbaar zijn voor de politiek. Het IPCC trekt geen conclusies uit één enkele publicatie, bevindingen moeten bevestigd zijn door vele andere onafhankelijke bronnen. Tijdens een zeer zorgvuldig proces worden commentaren van velerlei experts, ook die van het KNMI en het Planbureau voor de Leefomgeving, en van regeringen verwerkt. Sommigen proberen de conclusies aan te scherpen, anderen proberen ze af te zwakken – het eindresultaat is een evenwichtig verhaal over de huidige stand van zaken van de klimaatkennis, inclusief de onzekerheden.
Wat betekent dat voor de politiek?
De politiek kan niet wachten tot we over alle vraagstukken rond klimaatverandering honderd procent zekerheid hebben. Dan komen maatregelen zeker te laat. We weten dat een opwarming van de aarde met meer dan twee graden grote gevolgen heeft. Voor de zeespiegelstijging, voor de natuur, voor de landbouw. Daarom willen Europa en de acht grootste industrielanden de concentratie van broeikasgassen in de lucht terugdringen tot een niveau waarbij de kans op overschrijding van die twee graden niet te groot is. Om dat niveau te bereiken moet de stijging van de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd rond het jaar 2020 zijn omgeslagen in een daling. We kunnen dat met zijn allen ook betalen: de uitgaven worden bij een efficiënte aanpak geschat op één tot twee procent van het mondiale bruto inkomen per jaar.
Het IPCC-rapport van 2007 dient als uitgangspunt voor de klimaatonderhandelingen van Kopenhagen. Onlangs nog hebben het Planbureau voor de Leefomgeving, het KNMI en Wageningen Universiteit gekeken of de stand van de kennis sindsdien tot andere inzichten leidt. Niets haalt die inzichten onderuit. Op die manier zorgen IPCC en de Nederlandse kennisinstituten voor wetenschappelijke ondersteuning van de politieke besluitvorming. Het is aan de politiek om te besluiten of we bereid zijn ons nú beperkingen op te leggen om later minder klimaatzorgen te hebben.
| Bibliografie | |
|---|---|
| Publicatiedatum | 14-12-2009 |
| Referentieinfo | Planbureau voor de Leefomgeving |