Wat is er veranderd in de wereld sinds 20 jaar geleden het rapport Our Common Future onder leiding van Brundtland uitkwam en sinds 15 jaar geleden de Verenigde Naties een akkoord sloten over milieu en ontwikkeling in Rio de Janeiro? Het gemiddelde inkomen, het opleidingsniveau en de gezondheid zijn voor veel mensen aanmerkelijk verbeterd. Maar de armoede is de wereld nog niet uit, de opwarming van de aarde door CO2-uitstoot is onafwendbaar en het verlies aan biodiversiteit neemt de komende jaren versneld toe.
naar het persbericht samenvatting (PDF) download rapport (PDF 3,4 MB) Engelse samenvatting bestel publicatie
Auteurs
Hanemaaijer A Hanemaaijer A (eds)
Rapportnr.
500084001
Datum
13 november 2007
Aantal pagina's
146
Taal
nl
Jaar
2007
Opmerking
Dit is deel 2 van de Tweede Duurzaamheidsverkenning. Deel 1 van de Duurzaamheidsverkenning is getiteld: Nederland Later
In deze verkenning gaat het om de vraag wat nodig is om deze duurzaamheidsproblemen aan te pakken en wat hieraan specifiek vanuit Nederland kan worden gedaan. In het coalitieakkoord heeft het Kabinet de ambitie neergelegd om de wereld beter achter te laten dan we haar aantroffen. Gemakkelijk is dat niet. Maar in dit rapport blijkt dat er voldoende opties voorhanden zijn om armoede te bestrijden, klimaatverandering tegen te gaan en het verlies van biodiversiteit te beperken. Voorwaarde is dat deze vraagstukken in samenhang worden aangepakt en in internationaal verband. Voor mondiale duurzame ontwikkeling kan Nederland een rol van betekenis spelen.
De wereld is te klein om tegelijkertijd én voldoende voedsel (inclusief vlees) voor iedereen te produceren, én grootschalig biobrandstoffen in te zetten om klimaatverandering af te remmen, én biodiversiteit te behouden. De verdere ontwikkeling van met name de rijke landen en opkomende economieën als China, India en Brazilië gaat ten koste van biodiversiteit en leidt tot klimaatverandering. In deze verkenning staan drie duurzaamheidsvraagstukken centraal: het ontwikkelingsvraagstuk, de klimaatverandering en het biodiversiteitsverlies. Deze vraagstukken zijn sterk met elkaar verweven. Dat geldt zowel voor de oorzaken als de mogelijke oplossingen. Zo leidt sociaal-economische ontwikkeling van de armste ontwikkelingslanden tot minder armoede en honger, en op termijn tot een lagere bevolkingsgroei, maar ook tot meer consumptie en dus een stijgend energie- en ruimtegebruik, waardoor de bijdrage aan klimaatverandering en biodiversiteitsverlies toeneemt.
Het wordt steeds onwaarschijnlijker dat de huidige internationale doelen voor ontwikkeling, klimaatverandering en biodiversiteitsverlies worden gehaald. Belangrijke oorzaken hiervoor zijn de éénzijdige oriëntatie op de korte termijn, het werken met partiële oplossingen, en vooral ook tekortschietende internationale samenwerking. Alleen met internationaal en samenhangend beleid kan zowel armoede worden bestreden, klimaatverandering worden tegengegaan als het biodiversiteitsverlies tot een minimum worden beperkt. Om dit te bereiken kan gebruik worden gemaakt van onderstaande opties.
Hoewel in de meeste wereldregio’s het gemiddelde inkomen, het opleidingsniveau en de gezondheid de afgelopen vijftig jaar sterk zijn verbeterd, blijven met name Sub-Sahara-Afrika en Zuid-Azië achter. Om de ontwikkeling in de armste landen te stimuleren zal vooral moeten worden ingezet op:
De continue beschikbaarheid van betaalbare en schone energie is een belangrijk element van duurzame ontwikkeling. Met het energiegebruik zijn de broeikasgasemissies de afgelopen eeuw sterk toegenomen, met een versnelde klimaatverandering als gevolg. De nadelige effecten van klimaatverandering komen vooral in ontwikkelingslanden terecht. Om het klimaatprobleem aan te pakken is het nodig dat:
Door bevolkings- en consumptiegroei neemt de druk toe om natuur om te zetten in landbouwgrond, met biodiversiteitsverlies als gevolg. De ontwikkeling in Europa is ten koste gegaan van de helft van de biodiversiteit en ook elders is de sociaal-economische ontwikkeling op grote schaal ten koste gegaan van biodiversiteit. Het is zeker dat de verdere ontwikkeling van de wereld met substantieel verlies van biodiversiteit gepaard gaat, vooral in de tropische gebieden. De missie moet zijn om de schade zoveel mogelijk te beperken. Dit kan door gelijktijdig in te zetten op:
De Millenniumontwikkelingsdoelen (MDG's) vormen een brede internationale agenda voor de aanpak van het ontwikkelingsvraagstuk. Halvering van honger en armoede in 2015 ten opzichte van 1990 maakt hiervan deel uit. Behalve inspanningen van ontwikkelingslanden zelf en directe investeringen door bedrijven, is berekend dat tot 2015 hiervoor een jaarlijkse bijdrage van circa 0,5 % van het BBP van alle donorlanden nodig is. Behalve geld zijn voor het bereiken van de MDG's nog andere inspanningen nodig, zoals het realiseren van een goed bestuur en een effectieve en efficiënte organisatie van de ontwikkelingssamenwerking.
De kosten om de gemiddelde temperatuurstijging tot twee graden te beperken, beslaan enkele procenten van het mondiale BBP in 2040. Dan is het wel nodig dat alle grote landen meedoen en wordt gekozen voor economische instrumenten, zoals emissiehandel. Als de totaal beschikbare emissierechten voor broeikasgassen evenredig over de wereldbevolking zouden worden verdeeld, is de beleidsinspanning voor Europa relatief hoog en vallen ook de kosten hoger uit.
Het mondiale BBP zal in 2040 volgens het Trendscenario zijn verdriedubbeld ten opzichte van 2005. Het is nog niet bekend welke kosten zijn gemoeid met een substantiële beperking van het biodiversiteitsverlies.
Burgers in Nederland vinden het belangrijk dat mondiale duurzaamheidsvraagstukken worden aangepakt en zijn ook bereid daaraan mee te betalen, maar handelen daar als consumenten vaak niet naar. Zij vinden dat de overheid dit sociale dilemma moet doorbreken. Burgers geven er de voorkeur aan dat dit ‘achter hun rug om’ gebeurt via het duurzamer maken van producten of productieketens. Bedrijven geven aan wel duurzamer te kunnen en willen produceren, als de overheid maar zorgt voor een gelijk internationaal speelveld. Landen kampen met een vergelijkbaar probleem en willen vaak pas maatregelen nemen als ook andere landen dat doen. Aanpassing en versterking van instituties en spelregels vormt daarmee een belangrijke voorwaarde voor duurzame ontwikkeling.
Behalve een robuust internationaal beleid, vergen duurzaamheidsvraagstukken een geïntegreerde aanpak. Ontwikkelingsbeleid heeft gevolgen voor biodiversiteit en klimaatverandering en omgekeerd. Dit vraagt om de integratie van beleid voor energie en klimaat, landbouw, handel, biodiversiteit en ontwikkelingssamenwerking. Hiervoor zou Nederland via de EU een coalitie van grote landen moeten bevorderen, waarin ook snel groeiende economieën zijn opgenomen. Ten slotte zou de Nederlandse overheid haar eigen beleidsplannen kunnen beoordelen op duurzaamheid, door consequent inzichtelijk te maken wat de gevolgen zijn voor tenminste klimaat, biodiversiteit en armoede. Dit attendeert politici op de mogelijkheid om nadelige gevolgen van beleidsplannen tegen te gaan of te voorkomen.