Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de hoofdinhoud

Clusters en economische groei

Rapport | 19-06-2007
Omslag van de publicatie

Ruimtelijke concentratie (clustering) van sectoren op zowel gemeentelijk als regionaal schaalniveau is geen garantie voor een bovengemiddelde economische groei in een regio. Dit geldt zowel voor de algemene lokale economische groei als voor de specifieke groei binnen sectoren. Clusters zijn niet te kopiëren; ze kunnen niet worden opgelegd of door beleidsmakers worden gecreëerd. Unieke lokale omstandigheden lijken het succes van clusters te bepalen; wat geen garantie is voor succes in andere regio’s.

Samenvatting van het rapport

Achtergrond

Sinds Michael Porters is clustertheorie over de hele wereld overgenomen in het beleid. Centraal in deze theorie staat de gedachte dat fysieke clustering van bedrijven binnen gespecialiseerde groeisectoren een bron is voor regionaal economische groei. De ruimtelijke nabijheid tussen deze bedrijven zou de leerprocessen en de onderlinge concurrentie stimuleren. Een van de bekendste voorbeelden hiervan is de concentratie van de ICT-sector in het Amerikaanse Silicon Valley.

Ook de Nederlandse regering stimuleert de vorming van regionale clusters van groeisectoren (ofwel sleutelgebieden) die het al relatief goed doen (‘pieken in de delta’). Maar in hoeverre is het terecht dat overheden zoveel waarde hechten aan het clusterbegrip? Tegenover de hausse aan beleidsmatige clustertoepassingen staat namelijk minstens zoveel wetenschappelijke scepsis. Leidt clustering van gelijksoortige bedrijven werkelijk tot regionale economische groei of biedt juist sectorale variëteit meer kansen op regionale groei?

In deze studie onderzoeken we het verband tussen de clustering van een aantal sectoren en de regionaal-economische groei. Het gaat om de volgende sectoren: de arbeidsintensieve, kapitaalintensieve en kennisintensieve industrie, transport en distributie en de kennisdiensten, en de acht sleutelgebieden die beleidsmakers hebben aangewezen als belangrijke groeisectoren voor de Nederlandse economie: hightech, logistiek, chemie, ICT, creatieve industrie, financiële en zakelijke diensten, tuinbouw en speur- en ontwikkelingswerk in de biotechnologie. De mate van clustering wordt gemeten op basis van het aandeel werkgelegenheid in de totale economie van een gemeente of een regio.

Clustering van sectoren en sleutelgebieden

De dertien onderzochte sectoren concentreren zich in verschillende regio’s van Nederland. De arbeidsintensieve en kapitaalintensieve industrie hebben een sterk vergelijkbaar ruimtelijk patroon: vooral aaneengesloten gemeenten buiten de Randstad zijn in deze sectoren gespecialiseerd. De kennisintensieve industrie is gelijkmatiger in hotspots over Nederland verdeeld, waardoor het ruimtelijk patroon van deze sector sterk is gefragmenteerd.

De transport- en distributiesector concentreert zich overwegend rondom de mainports (de haven van Rotterdam en Schiphol); de periferie kent in het algemeen weinig specialisaties in transport en distributie. De kennisdiensten zijn sterk geconcentreerd in de noordvleugel van de Randstad. Een tweede clustering in de kennisdiensten bevindt zich rond Den Haag, en ook in de regio’s Eindhoven en Arnhem zijn veel kennisdiensten gevestigd.

Een aantal van de acht geselecteerde sleutelgebieden kent eveneens een duidelijke clustering. De ICT (noordvleugel), de financiële en zakelijke diensten (noordvleugel), de creatieve industrie (noordvleugel) en de logistiek (rondom Rotterdam) concentreren zich duidelijk in een aantal aangrenzende gemeenten.

Een aantal regio’s is sterk gespecialiseerd in hightech, zoals Eindhoven. Andere sleutelgebieden concentreren zich veel meer in gemeenten, zonder veel uitstraling

naar de regio (die wel wordt verondersteld in Porters clustertheorie). Het Westland is een solitaire hotspot binnen de tuinbouw, terwijl Wageningen, Leiden en De Bilt een relatief sterke specialisatie kennen in de biotechnologie. De chemische industrie kent tot slot weinig regionale clustering.

De ruimtelijke voetafdruk van clusters moet dus niet automatisch op een regionaal niveau worden verondersteld. Sommige sectoren concentreren zich in een aantal aan elkaar grenzende gemeenten, terwijl het ruimtelijk patroon van andere sectoren meer wordt gekenmerkt door geïsoleerde hotspots. Deze nuancering is belangrijk voor het nationale en regionale beleid, waarin vaak wordt verondersteld dat het relevante schaalniveau voor de clustering van sectoren in Nederland regio’s of zelfs landsdelen zijn.

Clustering en economische groei

In de clustertheorie wordt verondersteld dat een ruimtelijke concentratie van sectoren samengaat met een hogere regionaaleconomische groei. In Nederland gaat die veronderstelling in het algemeen niet op. Lokale of regionale clustering blijkt zeker geen garantie te zijn voor groei van werkgelegenheid of productiviteit.

Het effect van clustering op de totale groei verschilt sterk per sector en is niet constant over de ruimtelijke schaalniveaus. Sectorale variëteit is daarentegen

wél een relatief constante factor die bijdraagt aan de gemeentelijke werkgelegenheidsgroei. In gespecialiseerde gemeenten met een eigen of een hen regionaal omringende gevarieerde sectorstructuur neemt de werkgelegenheid sneller toe.

Specifieke omstandigheden die clustersucces bepalen

In de onderzochte hoofdsectoren en sleutelgebieden is dus geen sprake van een positieve samenhang tussen clustering en werkgelegenheidsgroei in die sectoren. Toch is de werkgelegenheid in de hightech (Eindhoven en Stadsregio Arnhem-Nijmegen), de financiële en zakelijke diensten (regio Utrecht en Zuidoost-Drenthe) en de ICT (Groot-Amsterdam en Zuidwest-Friesland) bovengemiddeld gegroeid. Deels betreft dit regio’s die het ministerie van EZ heeft aangewezen als de ‘pieken’ van deze sectoren. De vraag komt daarmee op of de regionale verschillen in werkgelegenheidsgroei veroorzaakt worden door specifieke ruimtelijke omstandigheden. De genoemde regio’s hebben

echter onderling weinig overeenkomsten die kunnen verduidelijken waarom juist zij een boven-gemiddelde groei vertonen. Bovendien komen andere regio’s die bekend staan om hun concentratie van een bepaalde sector of die ooit beleidsmatig als uniek zijn aangewezen, niet naar voren als regio’s met een eigen momentum. Zo kennen de sectoren logistiek, chemie, creatieve industrie en tuinbouw géén regio’s die in de periode 996-2004 een significante bovengemiddelde groei hebben doorgemaakt. Dit is op zich opmerkelijk, omdat juist voor deze sectoren een dominante ruimtelijke clustering wordt verondersteld. Denk bijvoorbeeld aan het Westland voor de sector tuinbouw, of de mainports in het geval van de sector logistiek. Het is dus lastig vast te stellen wat de precieze mix is van de achterliggende succesfactoren van bepaalde clusters. Unieke lokale omstandigheden lijken het succes van clusters te bepalen; dat succes is geen garantie voor succes in andere regio’s.

Kortom: het is verre van eenduidig hoe het stimuleren van clustering van sectoren kan leiden tot regionaaleconomische groei, omdat de samenhang tussen clustering en economische groei inhoudelijk en ruimtelijk bijzonder complex is. De op basis van internationale concurrentiepositie geselecteerde sectoren (de sleutelgebieden) niet automatisch regionale groeimotoren. Clusters kunnen dus niet worden opgelegd of door beleidsmakers worden gecreëerd. Daarvoor zijn clusters te weinig maakbaar én zijn er geen gouden regels die de veronderstelde clusterpotenties rechtvaardigen.

Auteur(s)Anet Weterings, Frank van Oort, Otto Raspe & Thijs Verburg
Rapportnr.978
Publicatiedatum20-06-2007
ISBN978 90 5662 5640
TaalNederlands
OpmerkingenDe rapporten worden uitgegeven bij NAi Uitgevers te Rotterdam en zijn te bestellen via de boekhandel, telefonisch bij NAi Uitgevers (010 4401203) en via de website van het NAi.