Een bewogen beweging, lezing op het Voorjaarsforum Natuurmonumenten, 21 april 2010
Maarten Hajer heeft tijdens het Voorjaarsforum van Natuurmonumenten, onderstaande toespraak uitgesproken.
Toespraak Maarten Hajer
Dames en heren,
Een van de mooiste landschappen van Nederland is voor mij de Ooijpolder, ten oosten van Nijmegen. Het is het landschap van mijn jeugd. Talloze malen fietste ik vanaf de Nijmeegse heuvelrug de rijksstraatweg af, het landschap van open uiterwaarden, bandijken, wielen en bosjes tegemoet. Terugkijkend naar je eigen jeugd associeer je landschap en natuur al snel met rust, stabiliteit, vertrouwdheid. Maar juist in de Ooijpolder is sinds die tijd op allerlei manieren sprake van dynamiek. En toch is terugkeren naar de Ooijpolder geen ervaring van teloorgang, maar een ervaring die moed geeft. Moed, over de mogelijkheden het landschap opnieuw in te richten. Moed over wat visie vermag. Visie waarmee Nederland steeds weer een eigentijdse invulling te geven aan de inrichting van het land.
In het rivierengebied, waar de Rijn zich splitst in Waal en Nederrijn, ontstond een andere visie op natuur. Plan Ooievaar was in 1986 een keerpunt in het denken. Hier ontstond het idee om in de uiterwaarden natuur te ontwikkelen, ‘eilandjes natuur in een zee van cultuurlandschap als gebieden te verbinden'. In twee decennia voltrok zich hier een geluidloze revolutie waar ook de boeren zich in konden vinden: de uiterwaarden zijn omgezet in een nieuwe wildernis. Wie nu onder de Nijmeegse boogbrug de Ooij in wandelt ervaart een van de meest radicale overgangen tussen stad en ‘wildernis' die ons land rijk is. Duizend kilometer prikkeldraad is verdwenen: symbool voor het vrijmaken van de natuur en het vrijmaken van de mensen: beide kunnen er hun gang gaan, een nieuwe verbinding ontwikkelen en dat doen ze! Struinend tussen grazers en ganzen, theedrinkend in het wilderniscafé of de mediterrane theetuin of gewoon bij Oortjeshekken.
Maar ook nu is rust schijn. Er moet een oplossing worden gevonden voor de piekafvoer van de rivieren. Ruimte voor de rivier vraagt om grote aanpassingen, zij het dit keer aan de overkant van de Waal.
Het voorbeeld van de Ooij geeft aan hoezeer landschaps- en natuurbeleid steeds in context moet worden gezien. Juist wanneer we willen nadenken op een schaal die de spreekwoordelijke postzegel te boven gaat is een integraal beeld vaak vereist. Wat de Ooij ons biedt is de herinnering hoezeer Nederland de vaardigheid en kunde heeft om met gevoel het landschap in te richten.
Natuur in Nederland is een cultuurdaad. Wanneer we spreken over ‘natuurdoeltypen', ‘biodiversiteit', ‘ecologische hoofdstructuur (EHS)', ‘Natura 2000' zou je haast vergeten dat de inrichting van Nederland (landschap en natuur) altijd een culturele opgave is geweest. De natuur vertelt ons niet wat te doen, onze cultuur doet dat. Ook als we natuurlijke processen willen. Natuur, zo zal u duidelijk zijn geworden, is voor mij volledig onderdeel van maatschappelijke, culturele debatten, geen uitzonderlijk categorie maar wel een bijzondere categorie. Het is daarnaast natuurlijk ook een veld van beleid dat wordt geschraagd door wetenschappelijk onderzoek naar de betekenis van cultuurhistorie en de ecologische betekenis van natuur.
Het was onze scheppingsdrang die de overgang van natuurbescherming naar natuurontwikkeling bewerkstelligde. Natuurbeleid werd natuurbeleid offensief en creëerde iets nieuws: robuuste natuur.
Maar toch blijft natuur ook kwetsbaar. Dit keer vooral in politieke en maatschappelijke zin. In een tijd waarin alles wordt heroverwogen is ook de waarde van natuur niet vanzelfsprekend. Juist in een tijd van economische crisis en een zoekende samenleving is het spannend te zoeken naar een revitalisering van het denken over natuur en landschap in Nederland.
Dat doen we in een tijd van verwarring en tegenstrijdige emoties:
- Internationale wetenschappelijke commissie: niet bijvoeren in OVP, tweede kamer unaniem: bijvoeren
- Sommige mensen willen wolven terug in Nederland anderen liever subsidie voor de dierenambulance
- Boeren willen een groen imago maar geen last van natuur: ganzen, onkruid, bomen
- Jacht is problematisch, maar damherten zijn een plaag.
We hebben millennia geprobeerd ons onafhankelijk te maken, de natuur fysiek de baas te worden. Toen de eerste generatie stedelingen de natuur volledig de baas was kregen we heimwee naar de natuur, en vooral naar de fijne kanten van alles wat bloeit, zingt en verheugt. Maar nu, nu de scheiding tussen stedelijke levensstijl en natuur bijna compleet is, nu we eten uit plastic bakjes volgens de kies-en-kook concepten van onze grootgrutter, nu weten we het even niet meer. We zoeken uitdaging, rust, contrast, eenheid, zuiverheid; allemaal in de natuur.
De omgang van de moderne mens met de natuur is omgeven van paradoxen. Maar met enige moeite kunnen we ook enige lijnen in onze huidige natuurbeleving onderkennen.
- Juist nu de wereld mondialiseert zoeken burgers weer de vertrouwdheid van hun landschap, een regionale, lokale identiteit.
- Juist nu zijn landschappen die rust uitstralen, die de geschiedenis bevestigen belangrijk.
Als alles al verandert, mag de natuur in Nederland dan tenminste hetzelfde blijven?
Het is verleidelijk om aan deze impliciete oproep gehoor te geven. Laten we het houden op de natuur van de wandeling, het doorkijkje, het pannenkoekenhuis! Maar helaas komt de analyse van de ontwikkeling in natuur en landschap met een andere boodschap. Om te bepalen welk natuurbeleid toekomstbestendig is moeten we een paar grote uitdagingen onder ogen zien. Ik noem er hier vier:
- Ecologische crisis: biodiversiteit is internationaal sterk bedreigd. In Nederland bereikt de natuur van het agrarisch cultuurlandschap nieuwe dieptepunten, op andere terreinen gaat het duidelijk beter.
- Een landschappelijke crisis: Nederland verrommelt en heeft te maken met een snelle industrialisatie van de landbouw.
- Duurzaamheidscrisis: klimaatadaptatie, onze energie- en stofhuishouding, zorgen over toekomstige welvaart.
- Financiële crisis: we hebben veel ambities, maar veel minder geld
De ecologische crisis
Ooit bood het agrarisch grondgebruik ruimte voor tal van organismen. In mijn Ooijpolder zag en hoorde je eindeloos veel grutto's, kieviten en veldleeuweriken. De traditionele verbinding met de landbouw is echter weinig perspectiefvol gebleken. Veerman zei het zelf op de Westhofflezing: op eigentijdse bedrijven gaan natuur en landbouw niet meer samen. Natuur is uit de agrarische percelen verdwenen: op een aardappelveld groeien nu nog slechts aardappels, in grasland groeit slechts engels raaigras. De natuur van Jacq. P. Thijsse is vrijwel verdwenen.
Dan blijkt hoe wijs de keuze voor de ontwikkeling van de EHS is geweest. De beleidsinstrumenten gericht op areaaluitbreiding en het leggen van verbindingen bleek goed uitvoerbaar en goed te monitoren. We hebben daarmee als samenleving geïnvesteerd in een buitengewoon geschenk dat nu functioneert als levensverzekering. Inmiddels is die EHS wellicht een van de kostbaarste bijdragen aan de kwaliteit van onze leefomgeving die we de laatste decennia hebben gerealiseerd.
Wat ligt meer voor de hand dan de EHS rustig verder te ontwikkelen, nieuwe wetenschappelijke inzichten te verwerken en waar nodig nieuwe accenten te leggen, bijvoorbeeld op de Deltanatuur die wereldwijd bedreigd is maar ook steeds meer geliefd. De EHS draagt daarmee ook bij aan de biodiversiteitsdoelstellingen in internationale verband. Denk aan de cruciale rol in trekroutes. Om deze toekomst voor de EHS verder te doordenken ontwikkelt de Natuurverkenning van het PBL verschillende varianten. Ook andere perspectieven op natuur komen in de Natuurverkenning 2011 aan de orde.
De landschappelijke crisis
De landbouw drukt een zwaar stempel op het landschap. Gaat het om bijvoorbeeld megastallen dan roept de landbouw een negatieve associatie op. Gaat het om verbrede landbouw dan roept dit positieve beelden op bij een groot publiek, vooral als die landbouw zich nabij de stad bevindt. Maar, zoals mijn grafiek net al liet zien, de ecologische kwaliteit gaat in het agrarisch gebied nog altijd achteruit, ondanks allerlei inspanningen zoals agrarisch natuurbeheer. Meer perspectief is er voor landbouw die zich op versterking van de landschappelijke kwaliteiten richt. Ook hier ligt voor de natuurbeweging een belangrijke opgave. De discussie over landschappelijke inpassing van nieuwe bedrijvigheid kan aan de positieve beleving van Nederland bijdragen.
De verrommeling van het landschap sluit wellicht nog meer aan bij de ervaring van het grote publiek dan de ecologische crisis. De natuurbeweging moet zich dus zeker niet terugtrekken in de natuurlijke delen van de EHS; er ligt een kans in de ontwikkeling van een aantrekkelijk landschap. Het behouden van historische gegroeide kwaliteiten is belangrijk, de corridors van monumenten langs de Vecht, de Vliet of het Gein, maar de noodzaak om nieuwe kwaliteit te realiseren is misschien nog wel groter.
In de realisatie van nieuwe monumentale natuur komt vooral de onmiddellijke nabijheid van de steden in aanmerking. Hier, in de zogenaamde stadsrandzones, wordt de komende tien jaar een beslissende strijd gestreden. Nederland heeft nog steeds de mogelijkheid om te kiezen voor de ontwikkeling van haar stedelijke structuur tot groene metropool.
Groene metropolen als de onze zijn zeldzaam. Er zijn er niet veel waar je zo snel kunt switchen van stedelijk naar landschap naar dorps naar stedelijk. Plaatsen als het Noord-Hollandse Waterland, Midden-Delfland, Meijendel, de Amsterdamse scheggen of de Oude Maasoever bij Rhoon zijn van grote kwaliteit. Maar rond de steden worden juist minder bekende zones met groene potentie op tal van wijzen bedreigd. De Vlietzone bij Rijswijk is hiervan een voorbeeld.
Wie de nieuwe stedeling aan zich wil binden zou moeten overwegen deze agenda voor de ontwikkeling van een sterk metropolitaan landschap hoge prioriteit te geven. De natuurorganisaties geven dan de vrije ruimte, scheppen de kans om stad en land te verbinden, natuur en cultuur in een nieuw verband te plaatsen.
De duurzaamheidcrisis
Dan de duurzaamheidscrisis. Nederland staat voor de uitdaging zichzelf als duurzame samenleving opnieuw uit te vinden. We moeten 80 tot 90% terug in onze CO2 uitstoot, we moeten ons aanpassen aan de klimaatverandering die reeds onontkoombaar is. Die transitie zal nu moeten worden ingezet. De natuurbeweging zal moeten kiezen hoe zij zich hier opstelt. Het is een lastige keuze.
Ik zou willen pleiten voor een rol als partner, niet als tegenstander. Nederland kent een traditie van functioneel gebruik van het landschap. Wij verstonden en verstaan de kunst hier met raffinement mee om te gaan. De Beemster staat op de UNESCO werelderfgoedlijst. De Waterlinie is herontdekt. Kunnen we in die traditie niet ook inhoud geven aan onze bijdrage aan de omvorming tot een biobased economy? In heel veel natuurgebieden staan tjaskers en molentjes, zijn windmolens dan altijd een probleem? Wel als we die als hagelslag over het land blijven uitstrooien. Yttje Feddes, onze rijksadviseur voor het landschap, zoekt naar de plaatsen waar we de wind op de cultuurhistorisch gezien beste plaats kunnen oogsten. Het lijkt de beste manier om natuur en duurzaamheid met elkaar te verbinden.
De financiële crisis
De grote heroverwegingsoperatie van dit voorjaar was een voorbode van een tijd waarin we grote ambities zullen moeten zien te verwezenlijken met veel minder budget. Het lijkt evident dat deze heroverweging niet ongemerkt aan het natuurbeleid voorbij zal gaan. Het belangrijkste lijkt in zo'n periode om je bewust te zijn van je historische roots en een helder beeld te hebben van de lange lijnen uit het verleden naar de toekomst.
Het natuurbeleid moet zich nu bezinnen op de kern van haar lange termijndoelen. Die doelen moeten passen tussen de oren van de vele burgers die de Nederlandse natuur in principe een goed hart toedragen. Die bewogen beweging kan ligt in een combinatie van het maken van nieuwe landschappen rond de steden en de keuze voor een robuuste natuur verder weg van de steden. Wellicht kunnen de beheerders van onze natuurgebieden daar wel wat ondernemender te werk gaan.
Bezie de EHS als het succesproject Ruimte voor de Rivier. Het Rijk stelde hier de (sectorale) kerndoelen vast en in de regio's werden prachtige uitwerkingen gemaakt, alles onder het toeziend oog van een ‘quality team' dat toezag op de kwaliteit van de plannen. Ontwikkelaars zien natuurlijk wel verdienmogelijkheden in de groene ruimte. Maar natuurbeweging heeft geen traditie van sluiten van goede deals. Toch is er behoorlijke potentie in de uitruil van minder interessante plekken waar mogelijk iets in de recreatieve sfeer kan worden ontwikkeld voor de aankoop van strategischer plekken.
Waarom zouden we de ontwikkeling van bepaalde voorzieningen in of nabij onze natuurgebieden niet stimuleren als dat het draagvlak verhoogt of zelfs inkomsten kan genereren. De uitdaging voor de verdere ontwikkeling van de EHS is de verbinding met de samenleving te versterken. Het is nu tijd om de burger uit te nodigen in onze natuur. Waarom volgen we het Amerikaanse voorbeeld hier toch niet? We kunnen onze eigen EHS omgeven en dooraderen met toegankelijke en beleefbare natuur. Lange afstandspaden, MTB paden, ‘uitspanningen', lodges of (zeer restrictief uitgegeven) ‘wilderness permits'. Maak het toegankelijk en houdt het bijzonder. Het zou de betrokkenheid zeker ten goede komen.
Tot slot
Een van de mooiste complimenten die Nederlandse planners ooit hebben gekregen komt van de Amerikaanse historica Barbara Tuchman. In veel van haar boeken beschrijft ze hoe machtige leiders ondanks goede adviezen desastreuze keuzen maakten. Haar boeken hebben dan ook vaak een sombere toon: we zijn onszelf de laatste decennia gaan zien als een blunderende, gewelddadige, incapabele, kortom decadente cultuur. In ‘Practicing History' eindigt ze onverwacht met een lofzang op Nederlandse waterbouw en de Deltawerken in het bijzonder. ‘To drive across the Afsluitdijk between the sullen ocean on one side and the new land on the other is for that moment to feel optimism for the human race'.
Waar zou de Barbara Tuchman van 2100 bewonderend naar moeten kunnen terugkijken?
Ik denk dat de grote scheppingsdaad ligt in het verbinden van een paar van de grote agenda's van de komende decennia. De ontwikkeling van onze deltanatuur, de zorg voor de vernieuwing van ons watersysteem, de waardering voor ons cultureel erfgoed, de ontwikkeling van een groene metropool in het westen. De eerste projecten dienen zich in 2010 reeds aan. De herontwikkeling van de Afsluitdijk is een kans voor een grote ecologische vernieuwing; de koppeling van de verbetering van de waterkering voor west Nederland aan de zorg voor het cultureel erfgoed en een brede band van natte natuur van Loevesteijn tot het Muiderslot. De markering van al onze waterstaatkundige werken met de grote molens die straks mede zullen zorgen voor onze verminderde energieafhankelijkheid. De dwaalnatuur van het noorden en oosten, de zorg voor het streekeigen landschap.
Allemaal zaken die de komende jaren op de agenda staan en die een betrokken natuurbeweging verdienen en die kansen bieden voor een natuurrijk Nederland.
Zo verbinden we verleden met toekomst, natuur met infrastructuur, duurzaamheid met ecologie, adaptatie met mitigatie. We verbinden ook burgers met nieuwe gebieden en met de goede zaak van de algemene zorg om natuur en landschap.
En alles kost tijd. Een eikenboom heeft gerust honderd jaar nodig om te groeien. Een eikenstrubbe nog meer. Zo is het ook met natuurbeleid. Dat vraagt niet om schokken en ecologische ingenieurskunst maar om het aanvoelen van de dynamiek en het goed gebruiken van de maatschappelijke winden die helpen om het achterliggende doel te bereiken.
Onze EHS heeft de potentie wereldberoemd te worden. De nieuwe landschappen die we gaan ontwikkelen, landschappen in het teken van nieuwe verbindingen tussen stad en land, tussen mens en natuur, die een duurzame en veilige toekomst representeren, zouden die potentie ook moeten hebben.
Ik dank u voor uw aandacht.
Meer informatie
Zie ook: 'Ecologische Hoofdstructuur kan wereldberoemd worden' (website Natuurmonumenten)
| Publicatiedatum | 21-04-2010 |
|---|
