Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de subnavigatieNaar de hoofdinhoud

Samenvatting Beleidsgericht onderzoeksprogramma fijn stof

Chemische samenstelling van fijn stof

  • De totale bijdrage door menselijk handelen aan fijnstofconcentraties (PM10) en van de fijnere fractie hiervan (PM2,5) blijkt groter te zijn dan waar tot nu toe op basis van de beschikbare kennis van was uitgegaan: 25 procent meer voor PM10 en 20 procent voor PM2,5.
  • Atmosferische omzettingsproducten van zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak dragen 50 procent meer bij aan de fijnstofconcentraties dan tot nu toe werd gemeten en berekend.
  • Natuurlijke bronnen, waaronder zeezout, dragen minder bij dan volgens eerdere schattingen. Bij verhoogde PM10concentraties is de bijdrage van zeezout geringer.
  • Nederlandse bronnen dragen meer bij aan de fijnstofconcentraties dan gedacht. Bij fijnstofconcentraties boven 30 microgram per kubieke meter (μg/m3) is de bijdrage van fijn stof uit stikstofoxiden en ammoniak extra hoog.
  • Houtverbranding in kachels en open haarden dragen hooguit enkele procenten bij aan de gemiddelde PM10-concentratie. Dit kan echter oplopen tot 30 procent voor PM10 en 40 procent voor PM2,5 in de wintermaanden op locaties waar veel hout wordt gestookt.
  • Bovenstaande bevindingen over de samenstelling van fijn stof hebben geen invloed op de hoogte van de gemeten totale PM10 en PM2,5 concentraties. Het verandert dus niets aan het huidige aantal gemeten overschrijdingen van de PM10- en PM2,5-normen.

Trends in concentraties

  • De PM10-concentraties zijn tussen 1993 en 2007 met 24 tot 32 procent gedaald. Deze daling is in lijn met de ontwikkelingen van de relevante antropogene - door menselijk handelen veroorzaakte - emissies.
  • Alle gemeten concentraties van antropogene bestanddelen van fijn stof zijn in de afgelopen 20 jaar in Nederland gedaald. Het gaat om zware metalen, zwarte rook en fijn stof uit zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak. De mate waarin verschilde echter wel per bestanddeel. De grootste dalingen vonden plaats tussen 1990 en 2000.
  • De concentraties van zwarte rook namen tussen 1990 en 2007 in buitenstedelijke gebieden af met 50 procent. Wegverkeer is waarschijnlijk de belangrijkste bron van dit type fijn stof uit verbrandingsprocessen. In steden zijn de zwarterooktrends echter niet zo eenduidig.

Verwachte ontwikkelingen

  • Projecties voor de emissies van PM10 en PM2,5 leren dat alle Europese normen voor PM2,5 waarschijnlijk haalbaar zijn op basis van het huidige en het voorgenomen nationale en Europese emissiebeleid. Een onzekere factor hierbij is het percentage waarmee de gemiddelde PM2,5 concentratie in steden moet afnemen tussen 2010 en 2020. De hoogte van deze doelstelling is afhankelijk van de concentraties in 2009, 2010 en 2011 en zal daarom niet eerder dan 2012 met zekerheid bekend zijn. Nu wordt een doelstelling van 15 procent verwacht, maar deze kan 20 procent worden. Om een afname van 20 procent te realiseren is waarschijnlijk additioneel nationaal en Europees beleid nodig.
  • Voorziene maatregelen zullen mogelijk meer effect sorteren dan met de huidige projecties aanvankelijk was becijferd. De verwachte PM10 concentratiedaling tussen 2010 en 2020 zal maximaal met ongeveer 50 procent extra dalen, ongeveer 3 μg/m3 in plaats van circa 2 μg/m3.

Gezondheidseffecten

  • De gemiddelde gezondheidswinst is grofweg 30 procent geweest in Nederland tussen 1993 en 2007 als deze aan de blootstelling aan PM10 zou worden afgemeten. Niet alle bestanddelen van fijn stof zijn even relevant voor de gezondheid. Als het gezondheidseffect wordt afgemeten aan de blootstelling aan fijn stof uit verbrandingsprocessen, een bestanddeel van fijn stof dat juist als gezondheidsrelevant geldt, dan is de gezondheidswinst mogelijk nog groter geweest.
  • PM10- of PM2,5-concentraties zijn minder geschikt om op lokale schaal het effect te volgen van maatregelen op emissies die vanuit gezondheidsoogpunt als relevant gelden. Uit nader onderzoek moet blijken of zwarte rook of elementair koolstof kunnen dienen als een aanvullende indicator voor het fijn stof uit verbrandingsprocessen.

Beleidsconsequenties

  • Vermindering van de emissies van stikstofoxiden en ammoniak in Nederland en Europa is het effectiefste middel om te voldoen aan de normen voor fijn stof.
  • Herziening van de regeling voor de aftrek van zeezout bij overschrijding van de grenswaarden van PM10 is gewenst. Want de bijdrage van zeezout aan de fijnstofconcentraties is minder dan tot nu toe werd aangenomen.
  • De grotere antropogene bijdrage aan de fijnstofconcentraties betekent in principe dat beleidsmaatregelen om de concentraties van fijn stof te verlagen effectiever kunnen zijn. De vraag in welke mate dit het geval is zal worden behandeld in een vervolg op het beleidsgericht onderzoeksprogramma fijn stof.