Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de subnavigatieNaar de hoofdinhoud

Voetafdruk van Nederlandse consumptie ligt vooral in het buitenland

Nieuwsbericht | 01-08-2012

De hoeveelheid land die nodig is voor de Nederlandse consumptie bedraagt ongeveer drie keer het landoppervlak van Nederland. Van het land dat in gebruik is voor deze Nederlandse voetafdruk ligt een kleine 15 procent in Nederland zelf. De helft van het totaal ligt in andere OESO-landen, een kwart in de transitielanden (Brazilië, Rusland, India, Indonesië, China en Zuid-Afrika, de zogenoemde BRIICS-landen), en slechts 10 procent in de rest van de wereld, waaronder het Midden-Oosten en ontwikkelingslanden. Nederland kan dit landgebruik alleen beïnvloeden met op het buitenland gericht beleid.

Per inwoner ligt het landgebruik in de buurt van het mondiale gemiddelde, doordat er voor onze consumptie relatief intensieve productiemethoden worden gebruikt. De hoeveelheid land en water die we gebruiken voor onze consumptie vertelt dan ook maar een deel van het voetafdruk-verhaal. Naast de grootte is de diepte van de voetafdruk zeker zo belangrijk: dat gaat om de milieudruk die ontstaat door productie en verwerking van goederen, inclusief effecten op biodiversiteit, klimaatverandering en watertekorten. Zo zijn die effecten voor intensieve veehouderij in Nederland veel groter per hectare dan voor extensieve veehouderij in Zuid-Amerika. Daar staat wel tegenover dat er in Zuid-Amerika meer land nodig is.

Beleid gericht op het verduurzamen van handelsketens en op het efficiënter omgaan met grondstoffen kan een belangrijke bijdrage leveren aan het verminderen van de diepte van de Nederlandse voetafdruk. Om de grootte van de voetafdruk te verkleinen is, naast het efficiënter omgaan met grondstoffen, ook een ander consumptiepatroon nodig.

Dit zijn de belangrijkste conclusies die het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) trekt in de vandaag verschenen studie 'De voetafdruk van Nederland: hoe groot en hoe diep?'

WNF heeft problematiek van de voetafdruk geagendeerd

Ieder mens laat een ‘voetafdruk’ achter op de aarde: we belasten de aarde door het gebruik van grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen voor onze consumptie. De voetafdruk geeft symbolisch de ruimte weer die daarvoor nodig is. De meest gebruikte indicator voor het in beeld brengen van de gevolgen van consumptie, is de ecological footprint van het Wereldnatuurfonds (WNF). Deze indicator heeft bewustzijn gecreëerd rond het groeiend gebruik van hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen, schaarste aan grondstoffen en de milieueffecten door consumptie.

PBL-indicatorset ontwikkeld

Het PBL heeft de algemene voetafdrukindex van het WNF opgesplitst in voetafdrukindicatoren voor afzonderlijke beleidsthema’s. Dit stelt beleid en politiek in staat om beter onderbouwd prioriteiten te stellen. De indicatoren geven enerzijds aan ‘hoe groot’ de voetafdruk is (het gebruik van land, energie, water en grondstoffen) en anderzijds ‘hoe diep’ (de ecologische effecten daarvan op biodiversiteit, klimaatverandering en watertekorten). Vervolgens heeft het PBL de ecologische voetafdruk van Nederland berekend aan de hand van deze nieuwe indicatoren. Ook reikt het PBL op basis van deze analyse handelingsopties aan om de voetafdruk te verkleinen.

Verkleinen van de voetafdruk

Het ‘verkleinen van de voetafdruk van de consumptie’ definieert het PBL als zowel het verkleinen van de omvang, als de milieudruk en effecten daarvan. Het PBL onderscheidt drie categorieën van handelingsopties over de gehele handelsketen van productie tot consumptie, die kunnen bijdragen aan een kleinere voetafdruk. Deze zijn het verkleinen van de lokale effecten bij productie, efficiënter produceren en andere keuzes maken in het consumptiepatroon

Het PBL wijst erop dat opties om de voetafdruk te verkleinen soms onbedoelde neveneffecten creëren. Die neveneffecten kunnen positief (synergieën) of negatief van aard zijn (trade-offs). Het PBL acht het daarom van groot belang deze neveneffecten goed te analyseren en mee te nemen in keuzes voor opties. Ook kunnen er ‘rebound’ effecten optreden die verwachte milieuwinst voor een deel weer teniet doen. Zo kan de beschikbaarheid van huishoudelijke apparaten met een hogere energie-efficiency bijvoorbeeld tot meer gebruik ervan leiden.

Verduurzamen van handelsketens

Ook heeft het PBL gekeken of het verkleinen van de omvang en effecten van de elders geplaatste voetafdruk kan samengaan met het huidige beleid voor het verduurzamen van handelsketens. De Nederlandse overheid heeft in het Beleidsprogramma Biodiversiteit (2008-2011) immers een aantal ambities en acties geformuleerd die het verduurzamen van internationale handelsketens tot doel hebben. Die ambities zijn later ook verwoord en verbreed in de Duurzaamheidsagenda, de Grondstoffennotitie en de Focusbrief voor Ontwikkelingssamenwerking. Daarnaast heeft de Taskforce voor Biodiversiteit en Natuurlijke Hulpbronnen eind 2011 het Kabinet geadviseerd de ecologische voetafdruk van de Nederlandse consument voor 2030 te halveren.

Deze verschillende beleidsagenda’s vragen om integraal beleid dat de Nederlandse consumptie en economie verbindt aan productiesystemen buiten Nederland. In het huidige verduurzamingsbeleid voor handelsketens is veel aandacht voor het verbeteren van de productieprocessen elders. Daarnaast wijst de overheid op het belang van efficiënter omgaan met grondstoffen. Het veranderen van consumptiepatronen wordt in het huidige beleid niet bezien als oplossing voor de problemen van de voetafdruk.

Figuur: schematische weergave van de relaties tussen consumptie en ecologische voetafdrukindicatoren (PBL)

Een indicator-set voor de ecologische voetafdruk van consumptie moet zowel de omvang (‘hoe groot’) als de effecten van de voetafdruk weergeven (‘hoe diep’). Daarbij moet zowel worden gekeken naar het gebruik van mondiale voorraden, de daarbij ontstane milieudruk, en naar de ecologische effecten. Centraal in deze set staan het landgebruik en de emissie van broeikasgassen. Ook zijn er indicatoren ontwikkeld voor de effecten op watertekorten in productieregio’s en naar de effecten op biodiversiteit.

Figuur: wereldkaart met daarin weergegeven het mondiaal landgebruik  door Nederlandse consumptie. Het landgebruik voor consumptie van Nederlandse burgers besloeg in 2005 een gebied ter grootte van drie maal het landoppervlak van Nederland (2005, PBL)

Het landgebruik voor consumptie van Nederlandse burgers besloeg in 2005 een gebied ter grootte van drie maal het landoppervlak van Nederland. Daarin is het land dat nodig is voor bosbouw, landbouw en veeteelt het grootst. Het merendeel van het landgebruik (ruim 85 procent) ligt buiten de Nederlandse grenzen, en is daarom minder makkelijk via Nederlands beleid te beïnvloeden. Elk blokje stelt een eenheid van 500 km2 voor.

De voetafdruk van Nederland in feiten

  • De hoeveelheid land die nodig is om te voldoen aan de Nederlandse consumptie van burgers en overheid besloeg in 2005 ongeveer drie keer het landoppervlak van Nederland. De belangrijkste productgroepen voor het landgebruik zijn voedsel (plantaardig en dierlijk), papier en hout. Per inwoner van Nederland ligt het landgebruik in de buurt van het mondiale gemiddelde, doordat er voor de consumptie relatief intensieve productiemethoden worden gebruikt. Het gebruik van biomassa voor energieopwekking is nu nog beperkt van omvang, maar zal stijgen afhankelijk van de ambities en doelen voor een duurzame energievoorziening.
  • Het merendeel van het landgebruik (ruim 85 procent) ligt buiten de Nederlandse grenzen, wat betekent dat er vooral internationaal gericht beleid nodig is om de effecten van de voetafdruk te verminderen. Het land dat voor de Nederlandse voetafdruk wordt gebruikt, bevindt zich voor het grootste deel in OESO landen (ongeveer 65 procent inclusief Nederland), voor ongeveer 25 procent in de grote transitie economieën (de BRIICS) en de rest in de overige landen, waaronder het Midden-Oosten en de landen in ontwikkeling.
  • De Nederlandse consumptie resulteert verder in een relatief groot aandeel in de mondiale broeikasgasemissies ten opzichte van het wereldgemiddelde. De emissies van de zogenoemde 'carbon footprint' komen bovendien voornamelijk van het binnenlands energiegebruik in huishoudens (40 procent, thuis en voor mobiliteit). Anders dan bij het landgebruik is het via binnenlands beleid mogelijk om deze voetafdruk te veranderen.
  • De effecten van de voetafdruk op biodiversiteit zijn het grootst bij intensief landgebruik, vooral bij de productie van voedsel. Zo kost de productie van dierlijke eiwitten met behulp van veevoer, zoals soja en granen, relatief veel biodiversiteit. Voor vleesproductie wordt ook gebruik gemaakt van kuddes op natuurlijke graslanden (bijvoorbeeld in Zuid-Amerika). Dat kost relatief minder biodiversiteit per hectare door de extensieve manier van produceren, maar wel veel ruimte.
  • Bij de watervoetafdruk gaat het vooral om het zoetwatergebruik dat samenhangt met de teelt en verwerking van grondstoffen. Zoet water wordt mondiaal steeds schaarser. Het gebruik van zoet water in gebieden waar dat schaars is, kan bijdragen aan tekorten voor menselijke behoeften zoals drinkwater en sanitaire doeleinden. Om de effecten van de watervoetafdruk te laten zien en om prioriteiten te stellen, is het nodig om te laten zien welke producten uit gebieden met waterschaarste afkomstig zijn. Op deze manier is een aantal aandachtsgebieden en productketens geïdentificeerd, zoals India, China, Pakistan en Turkije voor productie van katoen en Zuid-Afrika en Spanje voor fruit.
  • De voetafdruk geeft niet het complete beeld van de milieueffecten elders van de Nederlandse economie. In Nederland wordt namelijk niet alleen veel geconsumeerd, maar ook geïmporteerd, verwerkt en geëxporteerd: Nederland is een belangrijk handels- en doorvoerland. De belangrijkste agrarische grondstoffen die Nederland importeert zijn (in waarde uitgedrukt) soja, cacao en palmolie. De handel in deze grondstoffen en hun halffabricaten groeit harder dan de binnenlandse consumptie en het binnenlandse verbruik door de industrie. De milieueffecten van deze handelsstroom zijn voor sommige grondstoffen dan ook groter dan de effecten van de consumptie alleen. Zo is de import en verwerking van soja in Nederland voor een groot deel bestemd voor de productie van vlees voor de export.
  • Het verduurzamen van grondstofstromen uit de Nederlandse partnerlanden voor ontwikkeling en samenwerking geeft kansen voor duurzame ontwikkeling in die landen. Voor Nederland belangrijke stromen vanuit partnerlanden zijn palmolie, cacao en rubber. Een aantal van de partnerlanden is voor hun export sterk afhankelijk van agrarische grondstoffen. Zo is voor Burundi en Rwanda meer dan 40 procent van de export afhankelijk van koffie en thee. Voor Ghana is juist cacao een belangrijk onderdeel van de export (rond 25 procent). Soja komt nauwelijks uit de partnerlanden.

Contact

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Persvoorlichting (070-3288688 of persvoorlichting@pbl.nl).