Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de subnavigatieNaar de hoofdinhoud

Industrielanden behalen samen Kyoto-doel 2010

Persbericht | 11-12-2007

De gezamenlijke uitstoot van broeikasgassen van de groep industrielanden met een Kyoto-doelstelling (zonder de Verenigde Staten), zal naar verwachting in 2010 ca. 11% lager uitkomen dan in het basisjaar 1990. Als de huidige trend (periode 2000-2005) zich voortzet zullen deze landen daarmee ruim voldoen aan de ruim 4% reductie van de uitstoot van hun broeikasgassen die in het Kyoto Protocol is afgesproken. Per land zijn er wel grote verschillen. Dit blijkt uit een analyse van het Milieu- en Natuur Planbureau (MNP) van de door de landen gerapporteerde emissies over de periode 1990-2005, waarbij de recente emissietrends zijn geëxtrapoleerd.

Beperkte toename in OESO-landen, sterke reductie in Rusland

De gezamenlijke reductie van 11% ten opzichte van in het basisjaar (meestal 1990) komt door de beperkte groei van de uitstoot van kooldioxide (CO2) en andere broeikasgassen in de OESO-landen (westerse industrielanden en Japan) en vooral door de sterke reductie van de uitstoot van circa 40% in Rusland en Oost-Europa in de periode van 1989 tot 1999, waarna hun emissies weer langzaam toenemen. In de 15 Europese landen, die in 1997 de Europese Unie vormden toen het Kyoto Protocol werd afgesloten, is de uitstoot de laatste 10 jaar gestabiliseerd en ten opzichte van 1990 zelfs met 1,5% afgenomen. Naast vele andere factoren heeft klimaat- en energiebeleid mede een rol gespeeld in het realiseren van deze ontwikkeling: analyses wijzen uit dat zonder beleid de emissies 5-10% hoger waren geweest. In Japan zijn de emissies in de periode 1990-2005 echter met 7% toegenomen.

Verenigde Staten

De uitstoot van Verenigde Staten, dat het Kyoto Protocol niet geratificeerd heeft, is sinds 1990 met 16% toegenomen. Recente jaren laten ook een stijgende trend zien en de VS zal daarom de in het Kyoto Protocol oorspronkelijk beoogde reductie van 6% niet halen. De VS voert nationaal en ook in de grote deel staten steeds explicieter beleid om de uitstoot van broeikasgassen te beperken (verhoging energie-efficiency, reductie van niet-CO2-emissies zoals methaan en meer duurzame energie zoals bioethanol).

Weinig of geen aankoop emissierechten in Oost-Europa en Rusland

Het zgn. Mechanisme voor Schone Ontwikkeling van het Kyoto Protocol (‘Clean Development Mechanism’, CDM) biedt landen de mogelijkheid om een deel van hun verplichte reducties van broeikasgasemissies in ontwikkelingslanden en snel groeiende economieën te laten plaatsvinden. Voorbeelden hiervan zijn duurzame elektriciteitsproductie (waterkracht, wind, biomassa) en methaanterugwinning uit stortplaatsen en afgeblazen gas bij olie- en gasproductie. Van de OESO-landen verwachten de Europese Unie en Japan hun doelstelling van resp. 8 en 6% emissiereductie te halen met een bijdrage van resp. 2,5% en 1,6% van CDM-projecten met emissiereducties elders (in ontwikkelingslanden en snel groeiende economieën) en met een bijdrage van resp. 0,9% en 3,9% door koolstofvastlegging in bossen/bodems (EEA, 2007). Opvallend is dat hiervoor geen ‘hot air’ emissierechten van Rusland en Oost-Europa nodig zijn. Van de andere industrielanden Canada, Australië, Nieuw Zeeland en Zwitserland is de uitstoot tot 2005 met circa 25% gestegen ten opzichte van het basisjaar; in Noorwegen was de stijging 9%. Vooral Canada en Australië zullen een groot beroep moeten doen op de zogenaamde ‘flexibele mechanismen’ in het Kyoto Protocol: CDM-projecten, Joint Implementation-projecten in Rusland of Oost-Europa, of aankoop van emissierechten.

Completeren doel met reducties in niet-industrielanden: CDM-projecten

De hoeveelheid CDM-projecten “in de pijplijn” is met ruim 500 megaton CO2-equivalenten per jaar (= miljoen ton) ruim voldoende voor de geplande aankoop van 107,5 megaton door de landen van de EU-15 en 11 megaton door Japan en voor het bereiken van de afgesproken emissiebeperking in de overige landen. Inclusief de andere landen zal hiervoor in totaal naar schatting ruim 400 megaton/jaar aan CDM-projecten nodig zijn, zodat het niet nodig lijkt om ‘hot air’ in Rusland of Oost-Europa te kopen. Als de emissiereductie door CDM-projecten in ontwikkelingslanden en snel groeiende economieën wordt meegeteld, kan de gezamenlijke uitstootvermindering van broeikasgassen van de groep industrielanden met een Kyoto-doelstelling zelfs tot 15% oplopen.

Klimaatbeleid in ontwikkelingslanden en snel groeiende economieën

In verschillende grotere ontwikkelingslanden en snel groeiende economieën (China, India, Thailand, Indonesië, Egypte, Iran) is de uitstoot van broeikasgassen sterk gestegen, hoewel de uitstoot per persoon nog altijd veel lager is dan die van traditionele industrielanden. Ontwikkelingslanden en snel groeiende economieën die het Kyoto Protocol hebben geratificeerd verplichten zich om klimaatbeleid te ontwikkelen en uit te voeren om klimaatverandering te beperken, maar hebben geen kwantitatieve emissiebeperking. Een voorbeeld is China, waarvan de emissies de afgelopen jaren sterk gestegen als gevolg van de snelle industrialisatie – zelfs met meer dan 10% per jaar – en het daardoor toegenomen inkomen per gezin. Maar ook daar wordt klimaatbeleid gevoerd om de groei van de uitstoot te beperken. Voorbeelden hiervan zijn het sluiten van oude, weinig efficiënte kolencentrales en cementfabrieken om de energie-efficiency van deze sectoren te verhogen.

CDM-klimaatprojecten

In de ruim 2800 CDM-projecten in ontwikkelingslanden die in de pijplijn zitten gaat het om circa 500 megaton CO2-equivalent per jaar aan emissiereducties, waarvan bijna de helft in China. Deze omvang is ruim twee maal de uitstoot van Nederland. Door CDM-projecten wordt ook in de ontwikkelingslanden de aandacht voor klimaatbeleid vergroot. Inmiddels hebben bijna alle ontwikkelingslanden hun emissies gemonitord en zoekt men naar projecten die goedkope opties voor emissiereductie bieden en waarvan de emissiereducties bij uitvoering worden gemonitord.

Kyoto kleine, eerste stap

De landen met een Kyoto-doel hadden in 1990 een aandeel van 30% in de mondiale emissies; in 2005 was dit aandeel gedaald tot circa 20%. Het Kyoto Protocol is dan ook slechts een eerste, kleine stap om de mondiale uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen te reduceren.

Meer informatie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Persvoorlichting (070-3288688 of persvoorlichting@pbl.nl).