Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de subnavigatieNaar de hoofdinhoud

Biobrandstof niet altijd goed voor milieu

Persbericht | 18-02-2010

De biobrandstof die nu aan de pomp wordt verkocht, is niet altijd beter voor het milieu dan gewone benzine of diesel. Het gebruik van land voor het verbouwen van biobrandstoffen heeft allerlei neveneffecten, die moeilijk exact zijn vast te stellen. Als die neveneffecten worden meegerekend, kan het gebruik van biobrandstof leiden tot een lagere uitstoot van broeikasgassen, maar ook tot een twee keer zo hoge. Dat blijkt uit het rapport “Identifying the indirect effects of bio-energy production” van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).

Akkers niet meer gebruikt voor voedselproductie

Het Planbureau voorde Leefomgeving heeft onderzocht welke indirecte effecten de productie van biobrandstoffen op het milieu heeft. Voor het telen van gewassen als koolzaad, maïs, suikerriet, palmolie of tarwe, grondstoffen voor biobrandstof, is land nodig en dat kan ten koste gaan van natuur. Als er bijvoorbeeld bossen moeten worden omgehakt, komt er CO2 vrij die was opgeslagen in de bomen en de bodem. De Europese Commissie heeft duurzaamheidcriteria vastgesteld, waarin is afgesproken dat er geen natuur mag worden omgezet voor het verbouwen van producten die bestemd zijn voor biobrandstof. Maar als de akkers waarop de energiegewassen worden verbouwd al een agrarische functie hadden, dan zijn die criteria niet van toepassing. Toch kunnen die akkers op dat moment niet meer gebruikt worden voor voedselproductie. De voedselgewassen moeten dan ergens anders worden verbouwd. Die verplaatsing kan evengoed ten koste gaan van natuur en milieu.

Oplossing: hogere landbouwproductiviteit

Een oplossing kan zijn om per hectare landbouwgrond meer gewassen te oogsten. Als de voedselproductie effectiever wordt, komt er land vrij voor het verbouwen van biobrandstof. Om deze productiviteitsstijging te bereiken zijn – voornamelijk technologische – maatregelen nodig. Dat vraagt echter om kennis en middelen, vooral in ontwikkelingslanden. Intensivering kan in sommige situaties ook gepaard gaan met hogere broeikasgasemissies door bijvoorbeeld mechanisatie en kunstmestgebruik.

Vlees

Tenslotte heeft het PBL het effect van biobrandstof op de vleesproductie onderzocht. Sommige biobrandstoffen worden gemaakt van planten waarvan het bijproduct geschikt is als veevoer. Een voorbeeld van zo’n gewas is tarwe. Het energierijke deel van tarwe wordt gebruikt voor het maken van brandstof en het eiwitrijke deel is geschikt voor de productie van veevoer. Op die manier wordt de productie van vlees goedkoper, waardoor mondiaal meer mensen zich vlees kunnen veroorloven. Een grotere vleesconsumptie leidt, onder meer door methaanemissies van dieren, tot verhoging van de uitstoot van broeikasgassen. Het kan ook zo zijn dat het bijproduct in de plaats komt van een ander veevoerproduct, zoals soja. Dan hoeft er minder soja verbouwd te worden voor veevoer. Hierdoor daalt de uitstoot van broeikasgassen.

Onzekerheid over werkelijke emissies

Uit de studie van het PBL blijkt dat het op dit moment moeilijk is om vast te stellen waar en in welke mate de vermindering of toename van de uitstoot van broeikasgassen daadwerkelijk optreedt. De analyse laat wel zien dat het risico bestaat dat het gebruik van biobrandstoffen tot een toename van de broeikasgasemissies leidt. Op basis van meetgegevens heeft het PBL een eerste poging gedaan om de broeikasgasemissies voor de nu gebruikte biobrandstoffen in Europa vast te stellen. De meetgegevens moeten worden aangevuld met veronderstellingen over de relatie tussen brandstofgebruik in Europa en landbouwproductie elders in de wereld. Dat betekent dat er sprake is van onzekerheid. Het resultaat varieert van een reductie van 35 procent tot een verdubbeling van de uitstoot van broeikasgassen in vergelijking met benzine en diesel.

Links

Meer informatie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Persvoorlichting (070-3288688 of persvoorlichting@pbl.nl).