Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de hoofdinhoud

Nederland in 2040: een land van regio’s - Ruimtelijke Verkenning 2011

Rapport | 06-09-2011
Foto van een brug over een rivier

Nederland staat aan de vooravond van andere tijden: de jarenlange groei van bevolking, mobiliteit en werkgelegenheid gaat afvlakken. Dat betekent dat in de toekomst, met name na 2020, in een groot deel van ons land krimp even goed denkbaar is als groei. Het beleid zal hier op moeten inspelen met een kleinschaliger en flexibeler ruimtelijk beleid dat veel minder dan voorheen voorziet in grote investeringen en projecten voor de lange termijn.

De komende periode aanzienlijke regionale verschillen

In de studie Nederland in 2040: een land van regio’s brengt het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in kaart hoe de regionale behoefte aan wonen, werken en mobiliteit zich op lange termijn (tot 2040) zal ontwikkelen. Met behulp van scenario’s die sterk verschillen in bevolkingsontwikkeling en economische groei, creëert het PBL inzicht in welke regio’s zeker zijn van groei, welke van krimp, en in welke regio’s noch groei, noch krimp zeker is. Uit de verkenning blijkt dat tot 2020 er regio’s met duidelijk herkenbare groei of krimp te onderscheiden zijn.

Van groei én krimp naar krimp óf groei

Groei en krimp komen dus naast elkaar voor en met wisselende mate van zekerheid. In regio’s als het Rivierengebied, de Veluwe en delen van het Groene Hart zijn krimp en groei van bevolking, mobiliteit en werkgelegenheid beide goed denkbaar. In stedelijke regio’s als Almere, Groningen, Arnhem/Nijmegen en Utrecht zullen bevolking, werkgelegenheid en mobiliteit de komende tijd blijven groeien. Krimp treedt de komende periode vrij zeker op in regio’s aan de rand van Nederland, zoals Oost-Groningen en Midden-Limburg. Na 2020 is voor steeds meer regio’s zowel groei als krimp goed mogelijk. Na 2030 is dat zelfs in een groot deel van ons land het geval. Dat betekent mogelijk krimp in de huidige groeiregio’s maar op langere termijn zouden ook krimpregio’s van nu weer met stabilisatie of zelfs groei te maken kunnen krijgen.

Wonen, werken en mobiliteit gaan niet altijd gelijk op

De verschillende ontwikkelingen, zoals van bevolking, werkgelegenheid en mobiliteit, gaan binnen een regio niet altijd gelijk op. Door de vergrijzing kan de werkgelegenheid eerder gaan dalen terwijl door kleiner wordende huishoudens het aantal benodigde woningen en door groter wordende verplaatsingsafstanden de mobiliteit nog kunnen blijven doorgroeien.

Liberalisatie van beleid leidt tot concentratie in de Randstad en een lagere groei van de steden

Analyses wijzen uit dat wanneer provincies en gemeenten overgaan tot vergaande liberalisatie van ruimtelijk beleid, dat kan leiden tot een concentratie van de resterende groei in de Randstad, en daarbinnen tot een deconcentratie; een sterkere groei van de woonfunctie in gebieden op enige afstand van de steden, zoals het Groene Hart maar ook het Rivierengebied. Hierdoor kan de internationale concurrentiekracht van de Randstad als geheel sterker worden. Tegelijkertijd ontstaat er ook een extra belasting van reeds zwaarbelaste infrastructuur in west en centraal Nederland en een versterking van krimp in daarvoor gevoelige regio’s.

Opgaven voor beleid: flexibiliseren, faseren en monitoren, prioriteren en coördineren

Het naast elkaar bestaan van regio’s met groei, met krimp en regio’s waarin beide mogelijk zijn, wordt in de Ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2011) van het ministerie van Infrastructuur en Milieu al erkend. De structuurvisie voorziet echter nog niet in een breder palet aan beleidsstrategieën om hier mee om te gaan. Het PBL stelt dat hiervoor flexibeler beleid nodig is dat minder vastlegt voor de lange termijn. Een beleid dat bijvoorbeeld tijdelijke pieken in woningvraag of mobiliteitsbehoefte kan opvangen. Grote projecten zullen veel minder dan voor heen een passende oplossing blijken. Er is juist behoefte aan adaptieve planning en een gefaseerde werkwijze om zorgvuldig en effectief met beperkte middelen om te gaan. Goede monitoring is daarbij cruciaal om tijdig te kunnen handelen. Robuuste opgaven, die ook bij een laag scenario zeker zijn, zouden prioriteit moeten krijgen. Maar bovenal is er een noodzaak voor regionale en ook bovenregionale afstemming om overinvesteringen te voorkomen en bestaande investeringen beter te laten renderen.

Met de Ruimtelijke Verkenning, een wettelijke taak van het Planbureau, geeft het PBL zicht op de toekomstige ontwikkelingen van Nederlands regio’s. Voorpublicaties van de Ruimtelijke Verkenning 2011 hebben gediend tot input voor de Ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2011).

Auteur(s)Hans Hilbers, Daniëlle Snellen, Femke Daalhuizen, Andries de Jong, Jan Ritsema van Eck, Barry Zondag
Rapportnr.500169001
Publicatiedatum07-09-2011
ISSN978-90-78645-73-3
Pagina's187
TaalNederlands