Bestuurlijke versnippering bedreigt natuur en landschap

31-03-2006 | Persbericht

Nederlandse natuur van Europees belang

Van alle beschermde typen natuur in Europa komt een kwart in Nederland voor. Ons land wordt internationaal verantwoordelijk gesteld voor het behoud daarvan. Als het gaat om aanwijzing van Europese natuurgebieden behoort Nederland tot de koplopers binnen de Europese Unie. Hiermee is echter nog niet de kwaliteit van die gebieden veiliggesteld. Veel aangewezen natuurgebieden liggen naast stedelijk gebied of landbouwgebied. Daardoor is de milieudruk hoog en het risico van verdere versnippering groot.

In heel Europa gaat het slecht met de vogels in het agrarische landschap. In Nederland geldt dit voor weidevogels, die sterk afhankelijk zijn van Nederland als broedgebied. De toenemende samenwerking tussen boeren en natuurbeschermingsorganisaties kan hier perspectief bieden. Voorwaarde is dat een adequaat maaibeheer wordt gecombineerd met een voor weidevogels geschikte waterhuishouding, en met behoud van het open landschap.

EHS groeit gestaag, samenhang schiet nog tekort

De doelstelling van een Ecologische Hoofdstructuur (EHS) als samenhangende keten van natuurgebieden is gehandhaafd. Het kabinet zet daarbij in op meer particulier en agrarisch natuurbeheer. Particulier natuurbeheer levert tot dusverre echter nauwelijks een bijdrage. Met agrarisch natuurbeheer, waarvoor veel belangstelling is, kan slechts een beperkt aantal natuurdoelen worden gehaald. Het biedt geen perspectief voor doelen als ‘water en moeras’ en ‘schrale graslanden’. De vereiste ruimtelijke samenhang van de EHS staat daarmee onder druk, waardoor de natuur versnipperd blijft. De verdrogingsbestrijding verkeert in een impasse. Van de verdroogde oppervlakte natuur in Nederland ligt ongeveer 25% binnen gebieden die Europees beschermd zijn. De Europese Kaderrichtlijn Water verlangt dat dit probleem in 2015 is opgelost.

Unieke natuur nog altijd onder druk

Met de kwaliteit van beken en rivieren gaat het de goede kant op, mede door het waterkwaliteitsbeleid en door natuurontwikkeling. Minder goed gaat het met heide en duinen. Daar leiden verzuring en vermesting nog steeds tot vergrassing en struikvorming. Er zijn opvallende verschillen tussen soortgroepen. Het gaat goed met de vleermuizen, maar slecht met de dagvlinders. In tien jaar tijd is tweederde van de dagvlindersoorten in aantal afgenomen.

Groen in de Randstad blijft achter bij rood

De verstedelijking van Nederland leidt tot een afname van de kwaliteit van het landschap. Tussen 1990 en 2000 is 31.000 hectare karakteristiek open gebied verdwenen. Het kabinet kiest in de Nota Ruimte voor een focus op twintig Nationale Landschappen. De kansen die dit beleid biedt kunnen echter alleen benut worden als de rijksoverheid duidelijk maakt welke concrete doelen zij in deze gebieden wil bereiken.

Delen van de Randstad, zoals de Gagelpolder bij Utrecht en de Bloemendalerpolder bij Amsterdam, zijn nog onbebouwd. Veertig jaar ruimtelijk beleid heeft hier een belangrijke bijdrage aan geleverd. De afgelopen jaren is echter sprake van planologische onduidelijkheid. Grondprijzen zijn, mede daardoor, sterk gestegen. De aanleg van nieuw recreatiegroen kan alleen nog worden betaald uit de opbrengst van nieuwbouw. Het gevolg is dat extra moet worden gebouwd, waardoor het oorspronkelijke landschap nog sterker wordt aangetast.

Provincies als regisseur voor het Nederlandse landschap?

Het kabinet wil het beleid voor de groene ruimte rond de grote steden overdragen aan de provincies. De rol en bevoegdheden van de provincies zijn echter nog niet helder. In deze overgangssituatie hebben projectontwikkelaars aanzienlijke grondposities verworven in tot nu toe onbebouwde delen van de Randstad. Ook voor de Nationale Landschappen ziet het kabinet de provincies als regisseur. Daarbij legt het een zwaar accent op het toepassen van ‘ontwikkelingsplanologie’. Sommige kwaliteiten die de Nota Ruimte toekent aan Nationale Landschappen verhouden zich hier echter slecht mee, met name ‘openheid’, ‘verkaveling en waterlopen’ en ‘terreinvormen’. Dergelijke kwaliteiten vragen juist om behoud en inpassing. Het is nu aan de provincies als beoogd regisseur om te zorgen dat gemeentelijke bestemmingsplannen deze kwaliteiten beschermen. Voorwaarde is dat de provincies daarvoor de op stapel staande Wet Ruimtelijke Ordening ook daadwerkelijk benutten, aldus de Natuurbalans 2004.