De optiewaarde van het spoor. De waardering van de aanwezigheid en het gebruik van regionale spoorlijnen. Onderzoeksmethode en case studies

20-02-2006 | Publicatie

Zou een automobilist willen betalen voor het in stand houden van een spoorlijn, zodat hij deze kan gebruiken in gevallen dat de auto niet beschikbaar is? Dit is onderzocht via een enquête onder omwonenden van twee regionale spoorlijnen: Arnhem-Doetinchem-Winterswijk en Leiden-Alpen a/d Rijn-Gouda. Omwonenden lijken bereid om, bovenop de kosten van het treingebruik zelf, circa 80 tot 100 Euro per jaar te betalen voor het in stand houden van de spoorlijn.

Samenvatting

Dit rapport bevat een verkennende studie naar de optiewaarde van spoorlijnen. Optiewaarden kunnen worden omschreven als een risicopremie die individuen bereid zijn te betalen voor het behoud van een spoorlijn voor onverwachts toekomstig gebruik. Zo kan een automobilist een treinverbinding waarderen als een 'back-up' vervoerwijze in het geval de auto niet beschikbaar is. Het concept 'optiewaarde' heeft zijn oorsprong in de milieueconomie om de aanwezigheid van natuurgebieden te waarderen, en is in deze studie voor het eerst in Nederland toegepast op verkeer- en vervoersvraagstukken.

In het onderzoek is een web-enquête ontwikkeld waarin keuze-experimenten zijn opgenomen om optiewaarden geldelijk te kunnen waarderen. De regionale spoorlijnen Arnhem-Doetinchem-Winterswijk en Leiden-Alpen a/d Rijn-Gouda zijn als case studie onderzocht. De web-enquête is uitgezet onder omwonenden van de spoorlijnen die lid zijn van een landelijk internetpanel.

De belangrijkste conclusie uit het onderzoek is dat optiewaarden een belangrijke batencategorie lijken te vormen voor de onderzochte spoorlijnen. Omwonenden (treinreizigers en niet-gebruikers) van de spoorlijnen Arnhem-Winterswijk en Leiden-Alpen a/d Rijn-Gouda lijken bereid gemiddeld 7 tot 8 Euro per maand te betalen voor het behoud van de spoorlijn voor onverwachts toekomstig gebruik. Deze optiewaarde is additioneel ten opzichte van de betalingsbereidheid voor daadwerkelijk treingebruik en gebruik door derden; economische batencategorieën die traditioneel in kosten-batenanalyses van infrastructuurprojecten worden meegenomen.