Onzekerheden in de Referentieramingen

15-09-2005 | Publicatie

De onzekerheid in de CO2-emissieraming voor 2010 is circa 5%. De onzekerheid in de emissieramingen van de overige broeikasgassen is groter, circa 30%. Dat geldt ook voor de raming van SO2-emissies (circa 25%). Dit blijkt uit deze studie van het Milieu- en Natuurplanbureau naar de verschillende bronnen van onzekerheid bij de vaststelling van de emissieramingen van deze stoffen. De analyse is uitgevoerd in het kader van het project ‘Referentieramingen energie en emissies 2005-2020’. Met behulp van de MNP-leidraad voor het 'omgaan met onzekerheden' zijn voor de emissieramingen verschillende bronnen van onzekerheid in kaart gebracht. Vervolgens zijn met behulp van onzekerheidsanalyses de marges en kansverdelingen van de emissieramingen bepaald. De aldus verkregen informatie is gebruikt om verantwoorde uitspraken te kunnen doen over de waarschijnlijkheid dat beleidsdoelen worden gehaald.

Referentieramingen Energie en Emissies 2005-2020

In april 2005 is het rapport 'Referentieramingen Energie en Emissies 2005-2020' verschenen (Van Dril et al., 2005). Deze referentieramingen zijn een vooruitblik van het toekomstige energiegebruik en daaraan gerelateerde emissies en dienen ter ondersteuning van het energie- en klimaatbeleid. De referentieramingen hebben voor de ministeries VROM en EZ drie functies: een ijkfunctie, een referentiefunctie en een rapportageverplichting-functie. De referentieramingen zijn zogenaamde middellange termijn verkenningen.

Onzekerheidsanalyse

Dit achtergrondrapport beschrijft de onzekerheidsanalyse die is uitvoerd in het kader van het projekt ‘Referentieramingen Energie, Klimaat en Verzurende emissies’. Onder de gehanteerde aannames is met een onzekerheidsanalyse berekend dat de nationale doelstellingen voor 2010 voor de broeikasgassen, ammoniak en niet-methaan VOS waarschijnlijk gehaald gaan worden, maar dat het onwaarschijnlijk is dat de doelstellingen van zwaveldioxide en stikstofoxiden worden gehaald.

Bronnen van onzekerheid

Door het in kaart brengen van de onzekere factoren hiervan wordt belangrijke informatie gegeven over de robuustheid van de resultaten. Dit rapport beschrijft de opzet en resultaten van een ‘bottom-up’ onzekerheidsanalyse. Er worden vier bronnen van onzekerheid onderscheiden, waarvan de volgende drie met behulp van de MNP ‘Leidraad voor omgaan met onzekerheden’ en expert judgement zijn gekwantificeerd: onzekerheid in 1) monitoring, 2) scenario-aannames en 3) uitkomsten van lopende onderhandelingen. Verder zijn enkele afhankelijkheden tussen deze onzekerheden benoemd.

Via een statistische Monte Carlo analyse zijn marges en kansverdelingen berekend voor de belangrijkste uitkomsten van de referentieramingen, voor het jaar 2010. Met deze kansverdelingen zijn onder andere uitspraken gedaan over de kans dat bepaalde beleidsdoelen worden gehaald. Hieruit blijkt dat, onder de gehanteerde aannames, de nationale doelstellingen voor de broeikasgassen, ammoniak en niet-methaan VOS waarschijnlijk gehaald gaan worden, en dat het onwaarschijnlijk is dat de doelstellingen van zwaveldioxide en stikstofoxiden worden gehaald.

MNP Leidraad voor omgaan met onzekerheden

Ten slotte is het gebruik van de MNP ‘Leidraad voor omgaan met onzekerheden’ tegen het licht gehouden. De leidraad kan bijdragen aan een gestructureerde aanpak bij onzekerheidsanalyses, maar dat daarvoor de inbreng van een ‘Leidraad-deskundige’ van belang is.