Optimalisatie Ecologische Hoofdstructuur

08-09-2005 | Publicatie

Halverwege de uitvoeringstermijn van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) zet het Milieu- en Natuurplanbureau de bestaande kennis over milieu, water, ruimte en natuur in een samenhangend perspectief. De studie geeft inhoudelijke en procesmatige aanknopingspunten voor optimalisering van de EHS ten behoeve van behoud van biodiversiteit. De grote eenheden natuur bieden de beste kansen voor duurzaam behoud van biodiversiteit. Gebieden met een mozaïek van kleinere, dichtbij elkaar gelegen natuurgebieden hebben potenties om als grote eenheid te functioneren. De milieu-, water- en ruimtecondities zijn echter nog niet op peil. Verdroging, vermesting en versnippering zijn de meest hardnekkige knelpunten. Bij een grote concurrentie om de ruimte is aantasting van grote eenheden bijna onomkeerbaar. Planologische duidelijkheid is daarom een eerste vereiste.

De aanleiding voor dit rapport

De vraag naar mogelijkheden voor optimalisatie van de EHS komt voort uit vragen van de ministeries van VROM en LNV, op een moment dat de uitvoeringsverantwoordelijkheid voor de EHS verschuift van het Rijk naar de Provincies. In deze studie is daarom zowel geprobeerd om aan te geven waar op inhoudelijke argumenten nationale belangen liggen als de informatie zo aan te bieden dat deze op regionale schaal toepasbaar is.

Ruimtelijke analyse bevestigt het belang van de EHS en grote eenheden

Het MNP heeft het kaartbeeld van de beoogde EHS vergeleken met verspreidingsgegevens van plantensoorten, kaartbeelden van milieucondities en eisen die plant- en diersoorten stellen aan hun leefgebied. Daaruit blijkt dat het streven naar de vorming van een ecologisch netwerk met grote natuurgebieden nog steeds een logische strategie is voor duurzaam behoud van biodiversiteit. De EHS vormt het leefgebied voor veel planten en dieren die daarbuiten nauwelijks meer voorkomen. De milieu- en watercondities zijn binnen de EHS geschikter voor behoud van biodiversiteit dan daarbuiten. Grote eenheden natuur zijn om een aantal redenen gunstig:

  • Ze bieden aan meer soorten een geschikt leefgebied, omdat de minimale omvang van leefgebieden van soorten vaker gehaald wordt;
  • De milieu- en watercondities kunnen beter worden afgestemd op natuur omdat er minder concurrentie is met andere vormen van grondgebruik die tegenstrijdige eisen stellen;
  • Natuurlijke processen krijgen meer de ruimte, omdat niet alles hoeft te worden vastgelegd. Er is letterlijk meer ruimte voor variatie en dynamiek.

Meer natuur in grote eenheden

Bij de introductie van de EHS in 1990 bestond ongeveer 230.000 hectare bestaande natuur uit grote eenheden (minimaal 2.000 hectare aaneengesloten natuur). Dat is ruim 30% van de totale oppervlaktetaakstelling voor de EHS (zonder grote wateren). Bij deze gebieden behoorden onder meer de duinen, de laagveenmoerassen van de Wieden en Weerribben en de stuwwallen van de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug. Door het gevoerde natuurbeleid zijn sommige kleinere gebieden na 1990 uitgegroeid tot een grote eenheid. De afgelopen 15 jaar is het aandeel van grote eenheden toegenomen in de EHS van 30 naar 40%. Als de EHS in 2018 volledig gerealiseerd is, zal ruim de helft (55%) van de EHS bestaan uit grote eenheden met aaneengesloten natuur. Deze 'nieuwe' eenheden ontstaan doordat kleinere bestaande natuurgebieden worden uitgebreid en aaneen geschakeld via verwerving, inrichting en beheer van aangrenzende en tussenliggende gronden. Voorbeelden van nieuw gevormde grote eenheden met aaneengesloten natuur zijn bekensystemen in Groningen en Drenthe (Drentse Aa)en de uiterwaarden van de grote rivieren. De ruimtelijke samenhang van de EHS is dus weliswaar versterkt, maar blijft ook na volledige realisatie van de EHS niet optimaal.

Kansen buiten grote eenheden natuur

Ruim 20% van de EHS, zoals in Twente, de Graafschap en Zuid-Limburg, bestaat uit een mozaïek van kleinere dicht bij elkaar gelegen natuurgebieden die potenties hebben om als grote eenheid natuur te functioneren. Onder de Nederlandse omstandigheden, met een hoge druk op de ruimte, is het risico voor een onomkeerbaar verlies van deze gebieden groot. Om de nu nog aanwezige kwaliteit en potenties van deze gebieden voor de toekomst te behouden, zijn aanvullende maatregelen nodig. Daarbij gaat het op de korte termijn vooral om planologische duidelijkheid en vervolgens om maatregelen ter verbetering van de milieu- en watercondities. Zo is de regionale waterhuishouding vaak niet afgestemd op de natuur en biedt het tussenliggende landgebruik geen verbindingen tussen de kleinere natuurgebieden. Agrarisch en particulier natuurbeheer kan in deze mozaïeken wellicht een rol vervullen als het cement tussen de bakstenen. Als deze potenties kunnen worden benut bestaat de EHS in 2020 voor 550.000 ha (circa 75%) uit grote (landschappelijke) eenheden natuur.

Veel partijen betrokken bij de uitvoering van de EHS

Verdroging, vermesting en versnippering zijn de meest hardnekkige knelpunten voor behoud van biodiversiteit in de EHS. Ze zijn bovendien zo wijd verbreid dat het moeilijk is ze overal tegelijk aan te pakken. Er is daarom behoefte aan een methode om prioriteiten te kunnen stellen in ruimte (locaties) en tijd (urgentie). Om de kwaliteit van de natuur te beoordelen is de beoordelingsmethode van de Europese Habitatrichtlijn toegepast op de natuurdoelen van de EHS. Deze methode maaktduidelijk welk typemaatregelen nodig is voor behoud van biodiversiteit. Daarmee biedt deze aanpak een handvat voor besluitvorming door de vele partijen die bij de uitvoering van de EHS zijn betrokken, zoals terreinbeheerders, waterschappen, gemeenten, provincies en het rijk. De bruikbaarheid van deze aanpak neemt toe naarmate al deze betrokken partijen tot gezamenlijke afspraken kunnen komen over de uitvoering van de EHS en de monitoring van gegevens.

Vervolg

Het project krijgt een vervolg. De achterliggende gegevens worden beschikbaar gemaakt via Internet. Provincies kunnen deze gegevens gebruiken bij verdere uitwerking van het EHS-beleid. Alterra, MNP, IPO en VROM werken hieraan samen in het IPO-project "Milieutekorten in het landelijk gebied". Het gaat om verspreidingsgegevens van plantensoorten, kaartbeelden van milieucondities en eisen die plant- en diersoorten stellen aan hun leefgebied. Deze komen eind van 2005 beschikbaar via de IPO-RIVM website.