De consequenties van de Europese bodemrichtlijn voor het Nederlandse beleid

05-06-2007 | Publicatie

Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) heeft de consequenties voor Nederland geëvalueerd van het nieuwe voorstel van de Europese Commissie voor een Europese Kaderrichtlijn voor Bodem. Veel uitgangspunten van de richtlijn sluiten aan op het Nederlandse bodembeleid. De brede kaders van de richtlijn bieden flexibiliteit, maar ook vraagtekens over de mogelijke doorwerking van de richtlijn in concrete praktijksituaties rond bodemafdekking, verlies van organische stof en verzilting door zeespiegelstijging.

Europese bodemrichtlijn geeft Nederland beleidsruimte en verplichtingen

Het voorstel van de Commissie

De richtlijn stelt een Europees kader vast voor de bescherming van de bodem met als doel het behoud van het vermogen van de bodem om ecologische, economische, maatschappelijke en culturele functies te vervullen. Lidstaten moeten maatregelen gaan nemen om een zevental grootschalige bedreigingen voor Europese bodems te verminderen: verontreiniging, erosie, verlies van organische stof, verdichting, verzilting, afdekking en aardverschuivingen. Daarnaast vraagt de richtlijn aan lidstaten om de zorg voor de bodem mee te nemen in het beleid voor een groot aantal sectoren. In veel EU-landen biedt de richtlijn een kader voor introductie van bodembeleid. In Nederland heeft het bodembeleid al een beleidstraditie van 25 jaar.

Bodemproblemen en -bescherming in Nederland

Het intensieve bodemgebruik in Nederland is, zeker in het verleden, niet altijd duurzaam geweest. Door beleid verbetert die situatie: de sanering van lokale bodemverontreiniging vordert en de diffuse bodembelasting in landbouw- en natuurgebieden vermindert gestaag. In Nederland is het probleem verzilting vooralsnog beheersbaar, erosie is kleinschalig en bodemverdichting is feitelijk nog onderwerp van onderzoek. De richtlijn benoemt twee bodemproblemen waar het Nederlandse beleid niet rechtstreeks op aangrijpt: het verlies van organische stof uit bodems, dit speelt nadrukkelijk in Nederlandse veengebieden, en de toename van bodemafdekking door bebouwing en bestrating.

De consequenties van de bodemrichtlijn voor Nederland

De richtlijn stelt dat het beschermingsniveau mag afhangen van de functie van de bodem en door decentrale overheden mag worden vastgesteld. Dat past in de uitgangspunten van het Nederlandse beleid. De richtlijn beschrijft onder meer hoe de aanpak van bodemverontreiniging in lidstaten georganiseerd moet worden. Die beschrijving sluit grotendeels aan op de bodemsaneringspraktijk in Nederland en biedt kansen om Nederlandse kennis op dit terrein te exporteren.

De richtlijn bevat een aantal aandachtspunten voor Nederland. Zo is de werking van de richtlijn breder en potentieel meer verplichtend dan het Nederlandse bodembeleid. Dat geldt bijvoorbeeld voor het beperken van de effecten van bodemafdekking door bebouwing en bestrating. Ook moeten veengronden zeer waarschijnlijk als risicogebied worden aangewezen. In die gebieden moeten dan maatregelen genomen worden om het verlies van organische stof te beperken. Daarnaast bevat de richtlijn veel algemene uitgangspunten. Die geven enerzijds veel beleidsruimte, maar kunnen door lokale overheden verschillend geïnterpreteerd worden. Derden kunnen zich dan bij de rechter beroepen op eenduidige interpretatie van de verplichtingen uit de richtlijn. Dat zou tot uniformering en inperking van de beleidsruimte kunnen leiden.

De brede kaders van de richtlijn bieden flexibiliteit, maar ook vraagtekens over de mogelijke doorwerking van de richtlijn in concrete praktijksituaties. Hierover kan opheldering worden gevraagd bij de Commissie.