Stimuleren van verkoop van zuinige auto's

29-01-2001 | Publicatie

Om de aankoop van zuinige auto's te stimuleren kondigde het kabinet in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid aan de belasting op personenauto's en motorrijwielen (BPM) te gaan differentiëren naar de CO2-uitstoot van personenauto's. In reactie op deze nota drongen de organisaties RAI en BOVAG in een brief aan de minister van VROM aan op aanvullend onderzoek naar de effectiviteit van deze maatregel en naar de effectiviteit van alternatieve maatregelen. Bij de behandeling van de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid in de Tweede Kamer heeft de minister van VROM op verzoek van de kamer ingestemd met zo'n aanvullend onderzoek. Deze studie beschrijft de resultaten van dit aanvullend onderzoek.

Er zijn in deze studie drie alternatieve prijsmaatregelen bestudeerd:

  1. Differentiatie van de BPM. De maatregel bestaat uit een generieke verlaging van de BPM met een voor alle auto's gelijk bedrag, en een gelijktijdige invoering van een CO2-toeslag op nieuw verkochte auto's. Er zijn drie heffingsvarianten doorgerekend: van een relatief lage heffing (BPM1) tot een relatief hoge (BPM3).
  2. Omzetting van de grondslag van de motorrijtuigenbelasting (MRB) van gewicht naar brandstofverbruik.
  3. Energiepremies. De maatregel bestaat uit het verstrekken van een energiepremie aan kopers van een relatief 'groene' auto. Er zijn twee premievarianten doorgerekend: een relatief lage (Premie1) en een relatief hoge (Premie2).

De hoofdconclusie is dat de voorgestelde energiepremies en de BPM-varianten leiden tot CO2-emissiereducties bij personenauto's in de orde van 0,1 tot 1,5% ten opzichte van de emissie-niveaus van personenauto's in 2010 en 2020 zonder deze maatregelen. De voorgestelde MRB-maatregel leidt nauwelijks tot CO2-emissiereductie-effecten.