Tussenevaluatie van de nota Duurzame gewasbescherming

15-01-2007 | Publicatie

Boeren en tuinders zijn in de periode 1998-2005 het milieu aanzienlijk minder gaan belasten met gewasbeschermingsmiddelen. Daarmee wordt aan de tussendoelstelling van het beleid voldaan. Toch bevat het oppervlaktewater op de helft van de meetlocaties nog te veel gewasbeschermingsmiddel. Sinds 2001 is de belasting nauwelijks verder afgenomen. Onzeker is daarom of de milieudoelen voor 2010 zullen worden gehaald.

Tussendoel gewasbeschermingsbeleid gehaald; bereiken doel 2010 onzeker

Evaluatie van beleidsdoelen

Telers hebben de belasting van het oppervlaktewater in Nederland in de periode 1998-2005 met 86% terug weten te brengen. Dit blijkt uit berekeningen voor de tussentijdse evaluatie van het gewasbeschermingsbeleid tot 2010. Met de reductie van 86% is het tussendoel van de nota Duurzame gewasbescherming voor oppervlaktewater (75% reductie van de milieubelasting in 2005) gehaald. De hoofddoelstelling van de nota – geen overschrijding van het Maximaal Toelaatbaar Risico voor het oppervlaktewater in 2010 – is nog niet in zicht. In 2004 werd deze norm nog overschreden op ongeveer de helft van alle plekken waar in Nederland wordt gemeten. Zonder aanvullende maatregelen zal de doelstelling voor de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater in 2010 waarschijnlijk niet worden gehaald.

Het MNP heeft ook de beleidsdoelen uit de nota voor drinkwater, residuen van gewasbeschermingsmiddelen in voedsel en economie geëvalueerd. De kwaliteit van het oppervlaktewater voor drinkwaterwinning is verbeterd, maar onvoldoende om het tussendoel voor 2005 te halen.

Het aantal overschrijdingen van de residunormen in groente en fruit van Nederlandse herkomst was in 2005 2,5%. In 2003 was dit 3,5%. De evaluatieperiode was echter te kort om harde conclusies te trekken over de trend voor voedselveiligheid.

Telers pasten in 2005 vaker geïntegreerde gewasbescherming toe dan in 2000 en zijn dan ook positief over geïntegreerde gewasbescherming. Het economisch perspectief lijkt niet direct te zijn aangetast door het gewasbeschermingsbeleid, waarmee het uitgezette beleid lijkt te voldoen aan de randvoorwaarde dat het economisch perspectief behouden blijft (Tabel A).

Figuur: tabel met de status beleidsdoelen, trend duurzame gewasbeschermingm de bijdrage van het beleid uit de nota Duurzame gewasbescherming aan die trend, en het halen van doelen in 2005 en 2010

Vooruitblik

De behaalde milieuwinst kan worden vastgehouden en verder verbeterd worden op voorwaarde dat het beleid van de nota consequent wordt uitgevoerd. Daarbij gaat het erom geïntegreerde gewasbescherming verder te stimuleren en toe te passen, een consequent toelatingsbeleid te voeren voor gewasbeschermingsmiddelen, en goed te controleren of deze middelen op de juiste manier worden gebruikt. Door verdergaande EU-harmonisatie van de residunormen neemt naar verwachting het aantal overschrijdingen hiervan verder af. Om de voedselveiligheid te waarborgen, is het verder belangrijk dat de zogenoemde gesommeerde blootstelling een plaats krijgt in het toelatingsbeleid.

De milieuwinst is vooral behaald tussen 1998 en 2001. Sinds 2001 is de milieubelasting van oppervlaktewater ongeveer gelijk gebleven. Daarom blijft er, ook als het ingezette beleid volledig wordt uitgevoerd, waarschijnlijk nog een aantal knelpunten over. Het gaat hierbij om stoffen die waterschappen nu nog regelmatig meten in concentraties boven de norm. Een aantal van deze stoffen wordt vooral gebruikt in de glastuinbouw. Als Nederland de hoofddoelstelling van de nota voor 2010 wil halen dan zullen ook deze nog resterende problemen opgelost moeten worden.

De nota Duurzame gewasbescherming formuleert alleen voor oppervlaktewater een toetsbaar milieudoel. Uit berekeningen van de evaluatie blijkt dat de milieubelasting van grondwater en bodem is afgenomen met respectievelijk 60% en 80% in de periode 1998-2005.

Achtergrondinformatie

De tussentijdse evaluatie van de nota Duurzame gewasbescherming is uitgevoerd door het MNP op verzoek van de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu en van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit. Het MNP heeft het onderzoek gedaan samen met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), het RIKILT Instituut voor Voedselveiligheid en het Landbouw Economisch Instituut (LEI).