Symposium Energie- en Klimaatbeleid. "De duurzame energievoorziening: molensteen of groeidiamant?"

15-12-2011 | Publicatie

Op vrijdag 9 december 2011 vond het door Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) georganiseerde symposium ‘ De duurzame energievoorziening: molensteen of groeidiamant?’ plaats.

ECN en PBL-symposium over energie- en klimaatbeleid

Er waren zes sprekers, met aansluitend een paneldiscussie. De eerste spreker was Marck Dierikx van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) die het kabinetsstandpunt ten opzichte van de Europese Routekaart energie uiteenzette. Deze Europese energieroutekaart is een uitwerking van de routekaart “Naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050”. Het kabinet kiest voor een kostenefficiënte uitrol van hernieuwbare energie via de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE+) om te voldoen aan de EU-verplichting in 2020. Voor de langere termijn wordt echter meer nadruk gelegd op het stimuleren van innovatie via het topsectorenbeleid in plaats van verdere uitrol van de SDE+. Daarbij wil Nederland zich inzetten voor CO2-emissiereductie als leidend doel , met een tussendoelstelling voor de EU van 40 procent in 2030. Nederland wil ook graag meer harmonisatie van het Europese beleid voor hernieuwbare energie.

Foto: Mark Dierikx, Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) presenteert op symposium duurzame energie 2011

Foto: Mark Dierikx, Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I)

Vervolgens benadrukte Bernard ter Haar van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) dat klimaatneutraliteit nodig is om de negatieve effecten tegen te gaan van klimaatverandering op de toekomstige economische groei en kansen te genereren voor het bedrijfsleven. Snelheid is geboden omdat vanaf nu investeringen het eindbeeld voor 2050 mede bepalen. De namens het kabinet opgestelde klimaatbrief 2050, die nauw aansluit bij de Europese routekaart “Naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050” onderscheidt vier bouwstenen voor emissiereductie in 2050. Allereerst CO2-neutrale elektriciteit en elektrificatie, met een belangrijke rol voor smart grids. Het tweede element is biomassa, met aandacht voor duurzaamheidscriteria. Derde is energiebesparing, maar dit is te weinig verankerd in het beleid; en zachte instrumenten zoals convenanten en subsidiesl zijn onvoldoende effectief. Als laatste vroeg Ter Haar aandacht voor ondergrondse opslag van CO2 (CCS) en met name voor het belang van acceptatie, waarbij compenserende investeringen in de regio kunnen helpen. Hij gaf ook aan dat je in 2020 ook al flink meters moet maken richting -40 procent in 2030, alleen innovatie is daarvoor niet genoeg.

Mark van Stiphout (Europese Commissie – Directoraat-Generaal Energie) lichtte de Europese routekaart energie toe en gaf een aantal robuuste acties aan, waaronder energiebesparing, elektrificatie, groei van duurzame energie, intelligente infrastructuur, versterken interne markt en investeringen. Op dit moment wordt de energy efficiency richtlijn in het Europese parlement besproken. Er is verschil van mening over de mate waarin maatregelen bindend zouden moeten worden. Elektrificatie zal effect hebben op de stabiliteit van netwerken, met name de opslag van wind en de groeiende rol van elektrische auto’s waar samenwerking met de Amerikaanse overheid gezocht wordt. Van Stiphout pleitte voor verder ontwikkelen van een markt voor energiediensten, en de mogelijkheid voor consumenten om te reageren op groothandelsprijzen voor elektriciteit (demand response). Hij kwam ook terug op de noodzaak voor harmonisatie van duurzame energiebeleid en gaf het voorbeeld van Noorwegen en Zweden die gezamenlijk hun doelstellingen invullen. Er is ook sprake van samenwerking met diverse landen en regio’s buiten Europa, zoals Algerije en de Oekraïne.

Fot: Mark van Stiphout (Europese Commissie, Directoraat-Generaal Energie) spreekt op PBL/ECN symposium duurzame energie 2011

Foto: Mark van Stiphout (Europese Commissie, Directoraat-Generaal Energie)

Pieter Boot (PBL) vergeleek Nederland met een aantal omringende landen en constateerde dat Denemarken het op een aantal aspecten goed doet. Hij concludeerde dat dit te maken heeft met het hebben van een lange termijnvisie, een overeenstemming tussen politieke partijen, vergaande vergroening van het belastingstelsel, goede aansluiting tussen innovatie en toepassing van hernieuwbare energie, een veelheid aan beleidsinstrumenten voor energiebesparing en een grote rol voor decentrale overheden.

Bert Daniëls (ECN) presenteerde een inschatting van de kosten van een maatregelenpakket voor 80% emissiereductie en concludeerde dat deze kosten sterk afhankelijk zijn van tempo van kostendaling van schone technologie, energieprijzen en van timing van de maatregelen. Er is een divers pakket aan maatregelen en technologieën nodig, met een grote rol voor biomassa. Het beleid bepaalt wie de kosten betaalt.

Sander Lensink (ECN) vergeleek de actieplannen voor hernieuwbare energie van Europese landen met elkaar en benadrukte het belang van flankerend beleid, zoals de concessies voor wind op zee in Engeland, en de verplichte ruimtelijke reservering voor windenergie in Duitsland, naast een stabiel (en dus efficiënt) beleidskader. Geothermische warmte is een technologie die in veel landen in opkomst is. Op de lange termijn zullen waarschijnlijk toch de comparatieve voordelen van verschillende duurzame energietechnologieën bepalend zijn voor de energiemix.

Discussie

De paneldiscussie werd voorgezeten door Remko Ybema en gehouden onder Chatham House rules (sprekers en deelnemers worden niet geciteerd in de verslaglegging). Deelnemers waren Anton Broenink (Gasterra), Jaco Stremler (EL&I), Joke de Vroom (I&M), Wijnand Duyvendak, Gert Jan Kramer (Shell) en Mark van Stiphout (Europese Commissie).

Foto: PBL/ECN symposium duurzame energie panel, Wijnand Duyvendak, Mark van Stiphout, Anton Broenink, Joke de Vroom

Foto: Panel, Wijnand Duyvendak, Mark van Stiphout, Anton Broenink, Joke de Vroom

De discussie werd door Pieter Boot samengevat met de constatering dat er in Nederland duidelijk politiek draagvlak is voor goed ingekaderd EU klimaat- en energiebeleid, waarbij er een goede wisselwerking is tussen Europees en nationaal beleid. Aandachtspunten zijn een helder reductiepad in Europa, een voldoende hoge CO2-prijs, voldoende stevige regelgeving en normen. Voor 80 procent reductie in 2050 zijn alle opties nodig, en het beleid verwacht 14 procent duurzame energie in 2020 te halen in Nederland (met import). De wisselwerking tussen kortetermijn- en langetermijnbeleid en deployment versus innovatie geeft nog wel aanleiding tot discussie. Energiebesparing is belangrijk maar niet op koers, en is wat ‘ verweesd’ in beleidskringen. Mogelijk kan het beleid hier wat slimmer worden ingestoken.

Daarnaast is innovatie cruciaal. Bij de beleidsmakers is er een zeker optimisme over wat er bereikt kan worden. Nederland is in het verleden niet erg succesvol geweest bij de marktintroductie van innovaties. Er lopen nu wel initiatieven zoals proeftuinen. Er is nog discussie over de betrokkenheid van grote bedrijven (gevestigde belangen) en kleine bedrijven (te weinig ruimte) bij het transitieproces. Tot slot werd geconstateerd dat in de discussies, naast aandacht voor technologie en beleid, de rol van de burger en de noodzaak voor draagvlak meer aandacht behoeven.