De bedrijfslocatiemonitor

15-05-2007 | Publicatie

In januari 2006 heeft het Ruimtelijk Planbureau (RPB) de bedrijfslocatiemonitor (BLM) overgenomen van het Centraal Planbureau (CPB). De achterliggende gedachte hierbij is dat het centrale onderwerp van de BLM – analyse van het historische en raming van het toekomstige ruimtebeslag van bedrijven en zeehaventerreinen en van kantoren – een sterk regionale component heeft en daardoor past bij de missie van een Ruimtelijk Planbureau.

Het BLM-project

Het project wordt uitgevoerd in opdracht van de ministeries van VROM en EZ. Daarbij werken het Directoraat Generaal Ruimte van VROM en het RPB samen op het gebied van de gegevensaanschaf en het gegevensbeheer. Het doel van het BLM-project is de bedrijfslocatieplanning van provincies en gemeenten te ondersteunen en het inzicht te vergroten op het gebied van de ruimte die nodig is voor economische activiteit. Het onderzoek kent daartoe drie hoofdbestanddelen.

Ten eerste worden de feitelijke ontwikkelingen gevolgd met betrekking tot de uitgifte van bedrijven en zeehaventerrein en de ingebruikname van kantoorruimte.

Ten tweede wordt aan de hand van demografische en economische langetermijnscenario’s, die ongeveer elke zes jaar geactualiseerd worden, de vraag naar bedrijven, zeehaventerrein en kantoorruimte geraamd met behulp van een rekenmodel: het BLM-model. Omdat voor bedrijven en zeehaventerreinen niet alleen het jaarlijkse niveau van het reeds uitgegeven areaal wordt bijgehouden in het Integrale Bedrijventerreineninformatiesysteem (IBIS) maar ook het actuele en toekomstige aanbod, kan een inschatting worden gemaakt van de tekorten die op de middellange termijn (tien tot vijftien jaar) kunnen ontstaan aan beschikbaar terrein.

Het begrip ‘tekort’ is echter een subjectief begrip. De ene partij zal aanvoeren dat ‘onvoldoende’ beschikbaar areaal het Nederlandse bedrijfsleven schade zal berokkenen. De andere partij zal het belang naar voren brengen van andere ruimteclaims zoals voor woningbouw of natuur. In het BLM-model wordt bij de raming van de ruimtevraag het begrip ‘tekort’ eenvoudigweg geobjectiveerd door uit te gaan van ongewijzigd overheidsbeleid. Dat wil zeggen dat het beleid op het gebied van ruimtelijke ordening niet zó ingrijpend zal veranderen, dat als gevolg daarvan de toekomstige schaarsteverhoudingen op de grondmarkt wezenlijk zullen verschillen van de huidige. Verder worden bij het ramen van de ruimtebehoefte eventuele nieuwe beleidsambities voor toekomstig grondgebruik, zoals functiemenging of intensiever ruimtegebruik, niet in het model opgenomen. In tegenstelling tot het deelgebied bedrijven en zeehaventerreinen kunnen de mogelijke toekomstige tekorten voor kantoorruimte niet worden verkend, omdat er over het aanbod van kantoorruimte geen integrale informatie beschikbaar is.

Het derde hoofdbestanddeel van het BLM-onderzoek betreft het verrichten van ruimtelijkeconomisch onderzoek in een breder kader, met als doel inzicht te verwerven in processen die van belang zijn voor het toekomstig ruimtebeslag door bedrijven en het vervolgens kwantificeren van dit inzicht. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan onderzoek naar ontwikkelingen in het verplaatsingsgedrag van bedrijfsvestigingen. Zulke ontwikkelingen kunnen leiden tot bijstelling van het BLM-model.

De rapporten en achtergrondstudies worden uitgegeven bij NAi Uitgevers te Rotterdam en zijn te bestellen via de boekhandel, telefonisch bij NAi Uitgevers (010 4401203) en via de website van het NAi.