Longitudinale analyse van de vorming en realisatie van koopvoorkeuren in Nederland

25-10-2012 | Publicatie

Hoe beïnvloeden levensloopkenmerken en contextuele kenmerken de vorming en realisatie van koopvoorkeuren? En welke groepen aspirant-huiseigenaren hebben meer moeite om hun koopvoorkeur te vervullen dan anderen? Deze vragen worden in dit artikel beantwoord aan de hand van grootschalige woonenquêtes die verrijkt zijn met administratieve gegevens uit het longitudinale Sociaal Statische Bestand (SSB) van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) voor de periode 1998 tot en met 2008.

Het onderzoek laat zien dat slechts een minderheid van de aspirant-huiseigenaren er in slaagt binnen twee jaar naar een koopwoning te verhuizen. Vooral aspirant-huiseigenaren zonder werk of met een laag inkomen hebben een kleinere kans om naar een koopwoning te verhuizen en hebben een grotere kans om naar een huurwoning te verhuizen dan aspirant-huiseigenaren met een baan of een hoog inkomen. De realisatie van koopvoorkeuren hangt ook af van woningmarktomstandigheden. Daar waar kopen relatief duur is ten opzichte van huren, realiseren aspirant-huiseigenaren minder vaak hun koopvoorkeur.

Koopvoorkeur asprirant-huiseigenaren in bepaalde gevallen minder goed gerealiseerd

De resultaten laten zien dat slechts een minderheid van de mensen die geen huis hebben en geneigd zijn om te verhuizen, een voorkeur heeft om naar een koopwoning te verhuizen. Van deze aspirant-huiseigenaren is vervolgens slechts 31 procent daadwerkelijk binnen twee jaar naar een koopwoning verhuisd, is 13 procent naar een huurwoning verhuisd, en is het merendeel helemaal niet verhuisd. Uit schattingen met een multinomiaal logistisch regressiemodel blijkt dat aspirant-huiseigenaren die in een minder gunstige sociaaleconomische positie verkeren of die een koopwoning zoeken in een gebied waar kopen relatief duur is, er minder goed in slagen om hun koopvoorkeur te realiseren.

Voorkeuren afgestemd op sociaaleconomische positie en woningmarkt

De studie laat ook zien dat individuen geneigd zijn om huur- of koopvoorkeuren af te stemmen op de eigen sociaaleconomische situatie en de woningmarktomstandigheden. Een hoog inkomen, een hoog opleidingsniveau, voltijds werken en lage kosten van kopen ten opzichte van huren in het geprefereerde woningmarktgebied vergroten de kans dat niet-huiseigenaren die geneigd zijn om te verhuizen naar een koopwoning willen verhuizen. De voorkeur voor kopen of huren is daarmee niet alleen een kwestie van prefereren maar wordt duidelijk gevormd door persoonlijke en contextuele belemmeringen en mogelijkheden. Dat in de vorming van koopvoorkeuren sprake is van een aanpassingsmechanisme, is niet noodzakelijkerwijze een nadeel. De aan de omstandigheden aangepaste woonvoorkeuren geven inzicht in hoe individuen hun kansen inschatten op de woningmarkt en welke type woningen degenen die geneigd zijn te verhuizen kiezen als zij daadwerkelijk zouden verhuizen.