Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de hoofdinhoud

Naar een samenhangende Nationale Omgevingsvisie

Rapport | 19-12-2018

Het PBL is door het (toenmalig) ministerie van Infrastructuur en Milieu in januari 2015 gevraagd een ex-ante evaluatie op te stellen van de Nationale Omgevingsvisie. Deze Policy Brief is een tussenproduct op weg naar die ex-ante evaluatie, waarin we een reflectie geven op het Kabinetsperspectief. De feitelijke ex-ante evaluatie vindt later plaats, namelijk op het moment dat het kabinet de ontwerp-NOVI aan de Tweede Kamer heeft toegezonden.

Evaluatiecriteria NOVI

Het kabinet zet met dit perspectief de eerste stap richting de NOVI. De tweede stap wordt het ontwerp van de NOVI, dat begin 2019 zal worden opgeleverd. De derde stap is het gebiedsgericht uitwerken in omgevingsagenda’s en zogeheten perspectiefgebieden.

Daarnaast geven de Omgevingswet en de Memorie van Toelichting nog een groot aantal randvoorwaarden aan voor omgevingsvisies. Uit die randvoorwaarden heeft het PBL criteria afgeleid voor het evalueren van omgevingsvisies en beschreven in deze policy brief.

Het PBL zal de ontwerp-NOVI in 2019 evalueren aan de hand van deze criteria. In de voorliggende Policy Brief gebruiken we deze criteria ook om het Kabinetsperspectief NOVI aan te spiegelen, om zo aanbevelingen te doen voor de verdere uitwerking van de NOVI. De vier hoofdcriteria zijn: 1) Samenhang en visie, 2) Volledigheid, 3) Participatie en samenwerking en 4) Doelgerichtheid en duidelijkheid.

In 2018 publiceerde het kabinet zijn uitgangspunten voor de Nationale Omgevingsvisie in het Kabinetsperspectief NOVI (Ministerie BZK 2018). Dit perspectief lijkt de NOVI neer te zetten als een voornamelijk ruimtelijke visie, waarin de hoofdlijnen van sectorale beleidsnota’s op het gebied van energie, landbouw, natuur en mobiliteit worden samengebracht. Op elk van de deelterreinen worden zinvolle algemene ordeningsprincipes aangereikt, zoals voor de plaatsing van hernieuwbare energie, voor de regionale woningopgave, het tegengaan van verdere bodemdaling. Met deze ‘sectorale’ insteek dreigt wel spanning te ontstaan met de filosofie van de Omgevingswet. De Omgevingswet ziet een omgevingsvisie namelijk expliciet als een samenhangende visie, en niet louter als ‘de optelsom’ van sectorale opgaven.

Juist de Rijksoverheid zou de NOVI daarom op moeten stellen vanuit deze integrale intentie. Niet alleen omdat het Rijk een voorbeeldfunctie heeft, maar vooral ook om zo voldoende handreikingen te bieden aan provincies, gemeenten en andere maatschappelijke actoren over de gewenste samenhang tussen de nationale en regionale ontwikkelrichtingen. In de wijken is bijvoorbeeld afstemming noodzakelijk tussen het inzetten van hernieuwbare energiebronnen, het bepalen van momenten van woningonderhoud, bestand maken tegen klimaatverandering en vernieuwing van de riolering, maar die afstemming is niet vanzelfsprekend. Een samenhangende Omgevingsvisie is ook van belang voor industriële clusters die op zoek zijn naar de aansluiting met de nationale overgang naar een fossielarme productiesector en -infrastructuur. Die productie en infrastructuur moeten daarvoor overstappen op bronnen van hernieuwbare energie en principes van een circulaire economie. Verticale en horizontale coördinatie grijpen in elkaar, zowel op het nationale als op het regionale schaalniveau.

 

 

Auteur(s)Rienk Kuiper
Rapportnr.2626
Publicatiedatum19-12-2018
Pagina's22