Minder kansen op werkzekerheid aan de randen van Nederland

06-11-2019 | Nieuwsbericht

In de regio’s aan de randen van Nederland hebben starters op de arbeidsmarkt minder kans op het vinden en behouden van een baan dan vergelijkbare personen in de rest van het land. Dat geldt ook voor voormalig werklozen uit die regio’s. Voor een deel ligt dat aan regionale omstandigheden, die zich buiten de invloedsfeer van werkzoekenden bevinden.

Dat blijkt uit de studie ‘Regionale verschillen in werkzekerheid: de rol van beleid’ van het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving). Doel van dit onderzoek is te achterhalen in hoeverre de kans op het vinden en behouden van werk, oftewel de werkzekerheid, regionaal verschilt. Dit is onderzocht voor twee groepen: starters op de arbeidsmarkt en personen die na werkloosheid weer aan de slag gaan.

Ook in grote steden hebben starters en voormalig werklozen minder werkzekerheid

Starters en voormalig werklozen uit het noorden, oosten, Zeeland en Limburg (de periferie) hebben ruim 4 procent minder kans op werkzekere loopbaan dan vergelijkbare personen in de Randstad. Ook in de 22 grootste steden is die kans geringer. In de steden zijn de kansen minder doordat daar ook de groepen wonen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt; voor andere groepen in de Randstad geldt dat hun werkzekerheid juist relatief groot is. In het noorden, oosten en in Zeeland en Limburg beperken juist regionale omstandigheden de mogelijkheden van starters en voormalig werklozen op de arbeidsmarkt. Hoewel persoonskenmerken zoals opleidingsniveau en migratieachtergrond meer van invloed zijn op verschillen in werkzekerheid dan de regio waar iemand woont, kunnen de regionale verschillen - in combinatie met de andere factoren - zwaar drukken.

Starters op de arbeidsmarkt en voormalig werklozen uit de regio's in de periferie (noorden, oosten, Zeeland en Limburg) hebben minder kans op werkzekerheid dan vergelijkbare personen uit de rest van het land. Ook in de 22 grootste steden hebben deze groepen minder kans op werkzekerheid.
Starters op de arbeidsmarkt en voormalig werklozen uit de regio's in de periferie (noorden, oosten, Zeeland en Limburg) hebben minder kans op werkzekerheid dan vergelijkbare personen uit de rest van het land. Ook in de 22 grootste steden hebben deze groepen minder kans op werkzekerheid.

Wat kan de overheid doen om regionale ongelijkheid tegen te gaan?

Door te verhuizen naar een andere regio met betere kansen op werk kan iemand zijn of haar werkzekerheid vergroten. Door de grote verschillen in huizenprijzen en de lange wachtlijsten voor de sociale huur is dit voor veel mensen moeilijk te realiseren. Dit soort regionale verschillen leiden daarom tot kansenongelijkheid, wat over het algemeen als onwenselijk wordt beschouwd.

Het PBL heeft ook gekeken naar de mogelijkheden van de overheid om hier wat aan te doen. Hoewel er vele opties zijn om via beleid regionale verschillen in werkzekerheid te verminderen, blijkt dit een complexe opgave. Generieke maatregelen, zoals nationale regelingen of eisen aan het onderwijs of de sociale zekerheid, kunnen onbedoeld regionale verschillen versterken, omdat niet in elke regio dezelfde mensen wonen of dezelfde banen beschikbaar zijn. Maar ook volledig regionaal maatwerk waarbij elke regio een eigen aanpak kiest kan leiden tot grotere verschillen. Enige mate van regionale ongelijkheid lijkt dan ook onvermijdelijk.

In plaats van proberen de verschillen tussen regio’s te verminderen is het mogelijk beleid beter te richten op het bieden van voldoende kansen in elke regio. Wat als een acceptabele ondergrens wordt beschouwd, is onderwerp van politiek-maatschappelijke discussie.