VN-doelen vereisen volgende stap in leefomgevingsbeleid

24-03-2016 | Publicatie

De nieuwe VN-agenda voor duurzame ontwikkeling formuleert brede duurzaamheidsdoelen voor 2030: de Sustainable Development Goals (SDG’s). Het is nu aan de VN-lidstaten om deze mondiale doelen te vertalen naar nationale doelstellingen en beleid. In de maart-editie van het VVM-blad Milieu (netwerk van milieuprofessionals) presenteren PBL-onderzoekers de uitkomsten van een recente studie over de betekenis van de SDG’s voor het nationale natuur- en milieubeleid.

Nederland hoeft niet bij nul te beginnen

Het PBL concludeert dat Nederland op het gebied van natuur en milieu al diverse doelstellingen en beleidsprogramma’s heeft die in lijn zijn met de SDG's, al dan niet afgesproken in Europees of internationaal verband. Hierop kan worden voorgebouwd. Echter, niet alle SDG’s worden volledig afgedekt door bestaande doelstellingen, terwijl de huidige doelstellingen veelal niet verder reiken dan 2020. Daarnaast is het gevoerde beleid vaak niet voldoende om de bestaande doelstellingen te realiseren.

Voor veruit de meeste leefomgevings-gerelateerde SDG-targets heeft Nederlands reeds nationale beleidsdoelen
Voor veruit de meeste leefomgevings-gerelateerde SDG-targets heeft Nederlands reeds nationale beleidsdoelen

Heldere visie voor 2030

Het is daarom belangrijk nog eens goed naar de nationale ambities te kijken en in het licht van de benodigde langetermijntransities een heldere visie daarop te ontwikkelen. Waar nodig kunnen dan bestaande beleidsdoelen worden aangescherpt richting 2030 en nieuwe worden toegevoegd. Ook kunnen de SDG’s worden geïntegreerd in bestaande beleidsprocessen, zoals het Nederlandse beleid voor Groene Groei, de voedselagenda en de Rijksnatuurvisie, en de lopende discussies rond de Nationale Omgevingsvisie en de Toekomstagenda Milieu en Duurzaamheid.

Coherent beleid en voortgang monitoren

Cruciaal voor een succesvolle implementatie is het afstemmen van de inspanningen en verantwoordelijkheden van de diverse ministeries en decentrale overheden, het bewaken van de samenhang in het beleid, en het betrekken van burgers, bedrijven en ngo’s bij het vaststellen en implementeren van de visie en doelstellingen. Een periodieke nationale monitoringsrapportage dient ten slotte om voortgang te rapporteren en – afhankelijk van de politieke ambitie – verantwoording af te leggen over de achterliggende ontwikkelingen of zelfs over de doelmatigheid van het beleid te rapporteren.