Achtergrondrapporten bij het tweede syntheserapport Monitoring en Evaluatie van het programma Stikstofreductie en Natuurverbetering 2026
Op deze pagina vindt u de achtergrondrapporten bij het op 12 maart 2026 verschenen syntheserapport Monitoring en Evaluatie van het programma Stikstofreductie en Natuurverbetering.
Sociaaleconomische effecten van stikstofbronmaatregelen en natuurmaatregelen
Dit achtergrondrapport beschrijft de sociaaleconomische effecten van de stikstofbronmaatregelen en natuurmaatregelen in dit programma. Allereerst hebben we gekeken naar de economische effecten van met name de beëindigingsregelingen. Deze effecten zijn beperkt. Het stikstofbeleid gaat echter ook gepaard met maatschappelijke discussies over het toekomstperspectief van bedrijven en over de bescherming en het herstel van stikstofgevoelige natuur. Het regelmatig veranderende beleid, en de onzekerheid rond vergunningverlening creëert daarbij veel onzekerheid en maakt langetermijninvesteringen moeilijker.
download het rapportTerug naar het syntheserapport
Verwachte effecten van voorgenomen natuur- en stikstofbronmaatregelen op de toestand van de natuur
Dit rapport beschrijft de verwachte effecten van de natuurherstelplannen in met name het Programma Natuur. Daarnaast beschrijft het rapport de effecten van de verwachte stikstofdepositie op de toestand van de natuur en het aanbod van ecosysteemdiensten. De in het rapport gepresenteerde modelresultaten laten zien dat het beleid – indien volledig en ecologisch optimaal uitgevoerd – een stap maakt richting het beoogde effect van het Programma Natuur. Er zijn echter wel aanvullende inspanningen nodig. Houden we rekening met knelpunten in de uitvoering, dan raakt het beoogde effect verder uit beeld.
download het rapportTerug naar het syntheserapport
Voortgang stikstofbronmaatregelen en verwachte effecten in 2030
Dit rapport laat zien wat in 2025 de voortgang was van de stikstofbronmaatregelen uit het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering. Het rapport bevat ook ramingen van de effecten in 2030. De verwachting is dat de stikstofdepositie in 2030 daalt met ongeveer 18 mol per hectare door maatregelen uit het programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN). Dat is veel minder dan de 110 mol per hectare in 2030 die oorspronkelijk voorzien was voor het programma. In totaal leidt de combinatie van de stikstofbronmaatregelen uit het programma Stikstofreductie en Natuurverbetering, de Aanpak Piekbelasting en de provinciale maatregelen tot een vermindering in de stikstofdepositie van ongeveer 56 mol per hectare. Dat is 10-15 procent van de totale benodigde vermindering in stikstofdepositie om tot het doel voor 2030 te komen.
download het rapportTerug naar het syntheserapport
Voortgang en effecten van natuurmaatregelen
Dit rapport betreft de voortgang en effecten van natuurherstelmaatregelen. Voor dit tweede rapport was verbeterde informatie beschikbaar ten opzichte van de vorige editie, waardoor de voortgang van natuurmaatregelen in beperkte mate kon worden geëvalueerd. Inrichtingsmaatregelen waarvoor bestuurlijke besluitvorming nodig is die vaak buiten Natura 2000-gebieden worden uitgevoerd, blijven achter in de uitvoering. Het is echter nog niet mogelijk om conclusies te trekken over de effecten van natuurmaatregelen, mede door het ontbreken van geschikte data en een uniforme beoordelingssystematiek. Daarnaast moeten eerst kaderstellende keuzes gemaakt worden over onder andere de mate van detail en het ruimtelijk schaalniveau van de analyses. Deze keuzes bepalen de meetstrategie en op welke wijze bestaande natuurmonitoring kan worden gebruikt voor een robuuste effectevaluatie.
download het rapportTerug naar het syntheserapport
Doeltreffendheid en doelmatigheid van geselecteerde stikstofbronmaatregelen
In dit rapport analyseren we de doeltreffendheid en doelmatigheid van vier beëindigingsregelingen in de landbouw en twee subsidieregelingen voor de aanschaf van schonere technologieën. We concluderen dat de grootste beëindigingsregelingen (de Lbv en de Lbv-plus) tenminste in enige mate doeltreffend zijn: ze hebben geleid tot emissiereducties die zonder de regelingen niet zouden hebben plaatsgevonden. Melkveehouders nemen relatief minder vaak deel aan deze regelingen dan varkenshouders. Daarnaast nemen vooral oudere veehouders, vaak zonder opvolger, deel. Belangrijke redenen om niet deel te nemen aan de regelingen zijn het doorstartverbod en gunstige marktprijzen. Een zinvolle analyse van de verhouding tussen kosten en effecten van de regeling bleek onmogelijk. De Subsidieregeling verduurzaming binnenvaart leidt waarschijnlijk tot emissiereducties die zonder de regeling niet zouden hebben plaatsgevonden.