PBL: Strategische autonomie vraagt om regio- en bedrijfstakspecifiek beleid
Dat de geopolitieke ontwikkelingen zoals de afsluiting van de Straat van Hormuz of de tekorten tijdens de Covid-pandemie tot prijsstijgingen leidden, laat zien hoe afhankelijk de Nederlandse economie is van landen buiten de EU. Met beleid voor strategische autonomie willen Nederland en Europa die afhankelijkheid verminderen. Beleid dat hetzelfde is voor alle bedrijven in het hele land, zoals de invulling nu is, schiet daarvoor echter te kort: bedrijven in Noord-Holland, Zuid-Holland en Noord-Brabant zijn bijvoorbeeld veel meer afhankelijk van producten van buiten Europa dan bedrijven in andere provincies. Effectief beleid sluit aan op de specifieke kenmerken van regio's en bedrijfstakken. En omdat de productie van Nederlandse bedrijven via toeleveranciers verweven is met de Europese economie, vraagt dit bovendien om Europese afstemming. Dat stelt het PBL in de policybrief 'Tussen globalisering en autonomie'. De komende weken wordt zowel op Europees niveau als in Den Haag verder over dit onderwerp overlegd.
Het streven naar strategische autonomie betekent ook een omslag in het economische beleid, dat decennialang gericht was op globalisering en vrijhandel. Deze omschakeling naar industriebeleid gericht op het versterken van de eigen industrie vraagt om nieuwe beleidsinstrumenten, zoals vormgegeven in de Europese Industrial Accelerator Act. Op 18 en 19 juni bespreken Europese regeringsleiders hoe Europa de eigen industrie kan versterken en minder afhankelijk kan worden van producten van buiten Europa. Om gericht flankerend beleid vorm te geven, zijn concrete doelstellingen en een uitwerking van dit beleid nodig, waarschuwen de onderzoekers. Zonder dat blijven de uitvoering en de effecten onduidelijk.
Verschillend autonomiebeleid per regio gewenst
Minder afhankelijk worden vraagt om gerichte veranderingen in technologie, productie en handel, zo betogen de onderzoekers Mark Thissen en Frank van Oort. “Bij het verminderen van afhankelijkheid moeten beleidsmakers oog hebben voor specifieke bedrijvigheid in Nederlandse regio's, en voor alternatieve markten in Europa en daarbuiten. Nieuwe productietechnologie en andere handelspartners spelen beiden een rol bij strategische autonomie, en die rol kan per regio verschillen. Zo blijkt uit een specifiek scenario dat bedrijven in Zuid-Holland hun productieprocessen ingrijpender moeten aanpassen dan bedrijven in andere provincies. Nationaal beleid dat overal hetzelfde is, mist daardoor per definitie zijn doel", aldus Thissen. Het Nederlandse industriebeleid richt zich vaak al op specifieke regio's en bedrijfstakken, zoals de halfgeleiderindustrie rond Eindhoven of de biotechnologie in de Randstad. Hier zijn investeringen nodig in technologische verandering of het veranderen van toeleveranciers om strategische autonomie te bereiken. Concurrentiekrachtbeleid en strategisch autonomiebeleid kunnen daarmee worden verbonden in één samenhangende ruimtelijke investerings- en innovatiestrategie, stellen de onderzoekers, en ook Europa-breed afgestemd. Het commissiedebat over innovatie- en industriebeleid in de Tweede Kamer op 25 juni biedt daarvoor een kans.
Flankerend beleid voor getroffen regio’s en bedrijfstakken
De economische gevolgen van strategisch autonomiebeleid zijn op nationaal niveau vaak beperkt, omdat positieve en negatieve effecten elkaar deels opheffen. Achter dat gemiddelde gaan echter grote regionale verschillen schuil. Internationaal georiënteerde bedrijvigheid in Noord-Holland, Zuid-Holland en Noord-Brabant is meer dan gemiddeld kwetsbaar voor toegang tot buitenlandse producten en afzetmarkten, constateerden de onderzoekers.
In een illustratief scenario waarin Europa 25 procent minder afhankelijk wordt van niet-Europese producten en de rest van de wereld op vergelijkbare wijze reageert, kennen Gelderland en Overijssel een lichte groei in toegevoegde waarde, terwijl Groningen, Flevoland en Zuid-Holland een krimp van 3 tot 4 procent ondervinden. De verschillen binnen één provincie zijn vaak nog groter: zo krimpt in Gelderland de chemie met ruim veertig procent, terwijl de elektronica- en machine-industrie in dezelfde provincie met een vergelijkbaar percentage groeit. Zonder duidelijke doelen en beleidsin-strumenten is moeilijk in te schatten in welke regio en bedrijfstak de gevolgen groot zullen zijn, maar wel is duidelijk dat de effecten sterk variëren tussen regio's en bedrijfstakken. In bepaalde lokale bedrijfstakken kunnen veel banen verloren gaan. Gericht beleid om deze gevolgen op te vangen, kan helpen.