Effect kabinetsvoorstel CO2-heffing industrie

18-06-2019 | Publicatie

Op verzoek van de minister van Economische Zaken en Klimaat heeft het PBL een aantal varianten doorgerekend van een voorstel voor het invoeren van een CO2-heffing voor de industrie in combinatie met aanpassingen van de tarieven van de energiebelasting (EB) en de opslag duurzame energie (ODE). In de analyse is onderzocht welk heffingsniveau nodig is om het emissiereductiedoel voor de industrie te kunnen halen. Het PBL concludeert verder dat de risico’s van verplaatsingseffecten naar het buitenland bij de meeste varianten gering zijn.

Verschillende varianten voorgesteld

Het kabinet heeft verschillende varianten van de CO2-heffing voorgesteld. In alle varianten is sprake van een marginale ‘tonnenheffing’ die wordt geheven over emissies boven een heffingsvrije voet. De uitstoot boven de heffingsvrije voet wordt belast. Net als in het ontwerp-Klimaatakkoord is subsidie beschikbaar via de SDE++. Ook worden tarieven van de EB/ODE aangepast. Al het bovenstaande is van toepassing op alle varianten. Het PBL is gevraagd om het tarief voor de tonnenheffing zodanig te bepalen dat het emissiedoel voor de industrie gehaald wordt. In een aantal varianten wordt in aanvulling daarop een vlakke CO2-heffing voorgesteld waarbij de gehele uitstoot wordt belast. Opbrengsten uit de heffingen worden teruggesluisd naar de industrie.

Hoogte CO2-heffing afhankelijk van beschikbaarheid subsidiemiddelen

Als er voldoende subsidiemiddelen beschikbaar zijn om de totale onrendabele top te vergoeden, is een beperkte heffing (oplopend tot enkele tientallen euro’s/ton CO2 in 2030) al voldoende om bedrijven aan te zetten tot het nemen van maatregelen. Zijn er onvoldoende beschikbare subsidiemiddelen, dan zal een deel van de emissiereductie op grond van alleen de heffing moeten worden gerealiseerd. In dat geval is een heffing nodig die oploopt naar een niveau van tussen de 90 en 165 euro/ton in 2030.