Minder geurhinder maar doel blijft buiten bereik

01-03-2010 | Publicatie

In 1995 heeft het geurbeleid in Nederland vorm gekregen. Het bereiken van de doelstelling, maximaal 12% geurgehinderden in 2000 en geen ernstige geurhinder in 2010, is vooral een verantwoordelijkheid van de provincies en gemeenten. Evaluatie toont aan dat het percentage geurgehinderden dalende is. Met name de geurhinder door industrie is fors afgenomen, terwijl die door verkeer en landbouw is gehalveerd. Door het ontbreken van beleid blijft geurhinder door openhaarden en houtkachels hoog. Over de gehele linie genomen heeft de decentrale aanpak geleid tot minder geurhinder alhoewel de doelstelling voor 2010 voorlopig buiten bereik lijkt.

Gunstige trend maar doel 2010 niet gehaald

De trend in het percentage gehinderden door geur van industrie, verkeer en landbouw is gunstig door een combinatie van gereduceerde maatregelen en ruimtelijke scheiding die vanaf het jaar 2000 in (provinciaal) geurbeleid is vastgelegd. Lokaal kunnen trends in hinderpercentages echter sterk afwijken van de landelijk trends. Geurhinder door bronnen waarvoor geen doel was geformuleerd, zoals open haarden en houtkachels evenals door rioolstank, is de afgelopen 10-15 jaar niet afgenomen. De doelstelling ‘geen ernstige hinder’ voor 2010 wordt waarschijnlijk niet gehaald. De veranderde rol bij het bevoegd gezag ten gevolge van WABO, Regionale Uitvoeringsdiensten, het Activiteitenbesluit en de nieuwe WRO is een onzekere factor voor de toekomstige ontwikkelingen van hinder.

Meer standaardisering en betere afstemming nodig

Een oorzaak van het niet halen van de doelstelling voor ernstige hinder kan zijn dat dit begrip niet goed gedefinieerd is voor besluitvorming op lokaal niveau. De gemeenten en provincies gebruiken het begrip daarom niet of nauwelijks in hun beleid voor zowel vergunningverlening als ruimtelijke ordening. Een begrippen- en beleidskader met een definitie voor ernstige hinder en toetsbare doelen kan een bijdrage leveren aan het bereiken van deze doelstelling. Daarnaast is betere afstemming van geurbeleid tussen gemeenten en provincies wenselijk, evenals toepassing van gestandaardiseerde methoden. Mogelijk leidt de geplande invoering van de Regionale Uitvoeringsdiensten (2012) die kwaliteitsverbetering tot doel hebben tot verbetering.

Geurcontouren worden kleiner

Om gebiedsontwikkeling mogelijk te maken worden afstanden tussen geurbron en geurgevoelige objecten vaak verkleind. Dat is ook het geval bij veehouderijen waar met name gemeenten op grond van de wet Stank en Veehouderijbedrijven bevoegd zijn om normen te verruimen. Verder is door de invoering van het Activiteitenbesluit voor een aantal (kleinere) bedrijven het instrument van vergunningverlening (geurcontouren) verdwenen. Het percentage gehinderden zal door deze ontwikkelingen mogelijk toenemen, tenzij er adequate standaard geurbeperkende maatregelen worden genomen.

Winst komt vooral ten goede aan gebiedsontwikkeling

Ook technische verbeteringen en geurbeperkende maatregelen bij bedrijven en industrie komen nu en in de toekomst deels ten goede aan ruimtelijke ontwikkelingen en leiden tot een verdere vermindering van het aantal geurgehinderden. Er zijn echter grenzen aan het inkorten van afstanden tussen geurbronnen en geurgevoelige objecten. Daarbij is ruimtelijke scheiding vaak een afweging van verschillende belangen. Op welke wijze de nieuwe WRO van invloed zal zijn op het beperken van hinder en het voorkomen van ernstige hinder zal de toekomst leren.