Logo van het Planbureau voor de Leefomgeving
Naar het hoofdmenuNaar de hoofdinhoud

Referentieraming van emissies naar lucht uit de landbouw tot 2030

Rapport | 27-09-2016

Ter onderbouwing van de referentieraming van de uitstoot van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen voor de Nationale Energie Verkenning 2015 (NEV 2015) zijn in 2015 in opdracht van en in samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) berekeningen uitgevoerd om emissies van ammoniak (NH3), stikstofoxide (NOx), fijnstof (PM10 en PM2,5), lachgas (N2O) en methaan (CH4) uit de landbouw voor de periode 2015-2030 te berekenen.

Ramingen gebaseerd op cijfers 2013 en inzichten in mei 2015 over toekomstige ontwikkelingen

Dit achtergrondrapport hoort bij de NEV2015 (Nationale Energieverkenning) zoals gepubliceerd op 9 oktober 2015 en beschrijft in detail de uitgangspunten en resultaten van de in 2015 uitgevoerde raming. De raming van de ontwikkeling van de melkveehouderij en de fosfaatproductie in deze rapportage voor het jaar 2015 is inmiddels achterhaald door de werkelijkheid. De geraamde fosfaatproductie in 2015 was 175 miljoen kilogram, dit is vijf miljoen kilogram lager dan de gerealiseerde productie in 2015. De gevolgen voor de ramingen voor 2020 en 2030 worden momenteel onderzocht, deze hangen mede af van het voorliggende wetsvoorstel voor invoering van het stelsel van fosfaatrechten.

Groei melkproductie leidt tot stijging emissie overige broeikasgassen landbouw

De totale emissie van overige broeikasgassen vanuit de landbouw stijgt met 0,6 Mton CO2-eq tussen 2013 en 2030. Dit komt vooral door een toename van de methaanemissie (+0,7 Mton CO2-eq)  als gevolg van een stijging van de melkproductie. De lachgasemissie daalt met circa 0,2 Mton CO2-eq doordat de beweiding van melkkoeien afneemt.

Luchtverontreinigende emissies vanuit landbouw dalen of stabiliseren

Ondanks de stijgende melkproductie nemen de emissies van luchtverontreinigende stoffen niet toe. De stikstofoxide-emissie stabiliseert in deze periode doordat de toevoer van stikstof naar de landbouwbodem ook stabiliseert. De ammoniakemissie vanuit de landbouw neemt in de referentieraming bij vastgesteld en voorgenomen beleid af met 14%: van 112,3 miljoen kg NH3 in 2013 tot 96,5 miljoen kg in 2030.

Deze daling is het gevolg van de bouw van vergaand emissiearme stallen in de varkenshouderij en deels ook in de pluimveehouderij o.i.v. het beleid. Hierdoor neemt ook de emissie van fijnstof kleiner dan 10 μm (PM10) met 15% en die van fijnstof kleiner dan 2,5 μm (PM2,5) met 8% af. Hoewel in 2030 meer melkkoeien in emissiearme stallen worden gehouden daalt de ammoniakemissie nauwelijks. De emissiedaling door de emissiearme stallen wordt namelijk teniet gedaan door een stijging van de ammoniakemissie als gevolg van toename in de melkproductie en een toename van het permanent opstallen van melkkoeien.

Auteur(s)G.L. Velthof; C. van Bruggen; C.M. Groenestein; J.F.M. Huijsmans; H.H. Luesink; S.M. van der Sluis; J.W.H. van der Kolk; S.V. Oude Voshaar; J. Vonk; M.W. van Schijndel
Rapportnr.2764
Publicatiedatum27-09-2016
Pagina's80
TaalNederlands