Regionaal-economische opgaven

06-06-2016 | Publicatie

De Studiegroep Openbaar Bestuur stuurde in maart 2016 het rapport 'Maak Verschil' naar de Eerste en Tweede Kamer. Otto Raspe (onderzoeker bij de sector Verstedelijking en Mobiliteit van het PBL) schreef op verzoek van het ministerie van BZK een reflectie op het rapport. Daarin doet hij een voorzet om de regionaal-economische beleidsopgaven te duiden.

Het rapport van de Studiegroep Openbaar Bestuur 'Maak verschil' heeft een intrigerende ondertitel: Krachtig inspelen op regionaal-economische opgaven. Het combineert daadkrachtig optreden met een focus op die dingen 'waar nog veel te doen en te winnen is' (niet voor niets gaat het over opgaven).

Voorzet

Maar over welke regionaal-economische opgaven heeft de studiegroep het eigenlijk? Meer dan constateren dat de economie zich steeds nadrukkelijker op regionaal niveau manifesteert en dat de economische opgaven (daarom) contextspecifiek zijn, en in aard en omvang per regio verschillen, doet het rapport niet (beide zijn wel waar overigens). Althans niet in haar hoofdtekst. Gelukkig is er een apart achtergronddocument ‘Openbaar Bestuur en Economische Ontwikkeling’, dat meer aandacht besteedt aan de diverse beleidsterreinen waarop van het openbaar bestuur inzet wordt gevraagd ten behoeve de economie. Toch is het ook hier nog zoeken over welke opgave het precies gaat. Ik vind de regionaal-economische beleidsopgaven echter te belangrijk om ze in een achtergronddocument te moeten zoeken. In deze column doe ik een voorzet. Ik probeer enkele vragen te formuleren die passen bij de opgaven waar regionale beleidsmakers en bestuurders voor staan.

Groeipotentieel versterken

Niet onlogisch is de eerste vraag ‘of en hoe we in staat zijn om ons groeipotentieel verder te versterken’. Kunnen we mechanismen achter groeiprocessen beter faciliteren en benutten? Veel gebeurt daarbij door bedrijven zelf, maar beleid zou zich kunnen richten op het faciliteren en versterken van regionale clusters, en de productie- en innovatiemilieus die daarbij horen. Deels zijn dit bedrijfslocaties, maar steeds meer gaat het daarbij ook om het totaalpakket van omgevingsfactoren: publieke ruimten, voorzieningen, bereikbaarheid, woningen, etc. Kortom het bieden van een prettig woon- en werkklimaat, attractief voor bedrijven en mensen; bestaande en nieuw te vestigen. Een klimaat dat ook gericht is op het faciliteren van kennisuitwisseling; formele en bedoelde interacties, maar zeker ook informele en onbedoelde ontmoetingen. In een regionale economie moet het gonzen van de activiteiten: er is een local buzz.

Blijven vernieuwen

Maar misschien nog wel belangrijker is de vraag ‘of we in staat zijn om ook te blijven vernieuwen’ Deze vraag heeft te maken met de vraag ‘of huidige sectoren toekomstbestendig zijn’. Maar zeker ook met de vraag ‘of het bedrijfsleven in staat is nieuwe producten en diensten te ontwikkelen, te innoveren, en in te spelen op nieuwe markten en concurrentieverhoudingen’. En dit geldt niet alleen voor de huidige bedrijven, de vraag is ook ‘of nieuwe bedrijven en eventueel bedrijven van elders het economisch profiel van de regio kunnen vernieuwen’. Er zijn talloze voorbeelden van regio’s die daartoe niet in staat waren en opgesloten zitten in een negatieve spiraal, maar er zijn ook talloze voorbeelden van regio’s die zich letterlijk opnieuw hebben uitgevonden en op nieuwe groeipaden terecht zijn gekomen. De regionale economie vernieuwt dan en er is een sterke ondernemerschapsdynamiek.

Schokken opvangen

Hieraan gerelateerd is de vraag ‘of we veerkrachtig genoeg zijn om economische schokken op te vangen’. Schokken door bijvoorbeeld de sluiting van een groot bedrijf in de regio, of door een sector die in zwaar weer verkeert. Zijn de vaardigheden van de beroepsbevolking zo goed van kwaliteit dat een werkloze arbeidskracht makkelijk weer een baan vindt in andere sectoren in de regio? Een regionale economie die bestaat uit een samenhangend geheel van gerelateerde technologieën, opleiding of vaardigheden is veelal veerkrachtiger. Een slimme regionaal-economische specialisatie is niet te eenzijdig gespecialiseerd, maar ook niet zo divers dat bedrijven en arbeidskrachten letterlijk te ver van elkaar afstaan. Hier is dus ook de opgave om met opleiding- en arbeidsmarktbeleid de vaardigheden van de beroepsbevolking aan te passen.Tot dusver zijn vragen bij de opgaven vooral gericht op beleidsmatig ‘trekken aan de bovenkant’. Deels werkt het door in te zetten op kennisintensieve, innovatieve (veelal hoogbetaalde) sectoren, omdat deze sectoren zelf voor groei zorgen, maar ook omdat het succes van deze sectoren doorsijpelt naar de onderkant van de arbeidsmarkt, naar laagbetaalde en laagopgeleide banen. Vraag is echter of er ook voldoende perspectief wordt geboden voor werklozen, vooral laagopgeleide werklozen. We weten immers dat het succes van de bovenkant maar beperkt doorsijpelt en deze groep veelal niet bereikt. Een separate strategie op het inactieve deel van de beroepsbevolking komt dan naar voren. De vraag is ‘hoe dat het beste ingevuld kan worden?’ Hoe kunnen we het beste ‘duwen tegen de onderkant?’

Kortom, zonder te pretenderen volledig te zijn, hebben de regionaal-economische opgaven te maken met de groei, veerkracht, aanpassingsvermogen en inclusiviteit in de regio. Hier beleid op maken is een combinatie van economisch structuur- , innovatie- , ondernemerschaps-, onderwijs- én arbeidsmarktbeleid. Omgeven door een pakket ruimtelijke maatregelen uit het fysieke domein.

Bestuurders zelf aan de lat

In ‘Maak verschil’ staan regionale bestuurders en beleidsmakers veel meer zelf aan de lat. Zij moeten de regionaal-economische opgaven concretiseren en de juiste beleidspakketten formuleren. Zonder daarbij concepten klakkeloos te kopiëren. En door rekening te houden met de verschillende schalen waarop hun beleid betrekking heeft. Uitgangspunt is het eigen dna, zo u wilt eco-systeem, van de regio, en omliggende regio’s waar mee kan worden samengewerkt en waarvan geprofiteerd kan worden. En daarnaast een kijk op veranderingen.

Rol van Rijk

Een laatste vraag die bij mij opkomt is ‘welke rol het Rijk (nog) heeft?’. Gaat dat zijn investeringsbeleid alleen generiek invullen of ook nog regiospecifiek? En doet het dat vanuit het principe van versterken wat sterk is, of vanuit het principe om achterblijvende regio’s te helpen? ‘Maak verschil’ lijkt daarmee af te wijken van de lange traditie van juist het egaliseren van verschillen tussen regio’s in Nederland.

Krachtig inspelen op regionaal-economische opgaven leidt al met al tot veel vragen (en nog meer als deze column in aantal woorden niet gelimiteerd was). Het is nog zoeken naar antwoorden. Cruciaal is te bepalen ‘wat werkt, en wat niet?’. Maar nu al is duidelijk dat Maak Verschil, ook zal vragen om data en om indicatoren die regionale ontwikkelingen duiden, verklaren en monitoren. Maak Verschil betekent ook dat regionaal beleid en bestuur voldoende geëquipeerd moeten zijn met informatie en kennis om effectief beleid te voeren.

Andere columns over 'Maak Verschil'

Andere reflecties op het rapport zijn te vinden op de site van de Studiegroep Openbaar Bestuur.