Sterke regionale verschillen in vruchtbaarheid naar herkomstgroepering

07-05-2012 | Publicatie

In de regionale bevolkings- en huishoudensprognose van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt op gemeentelijk niveau de geboorte naar herkomstgroepering voorspeld. Voor het opstellen van geboorteveronderstellingen is een analyse uitgevoerd naar de vruchtbaarheid naar herkomstgroepering. Hieruit blijkt dat er in Nederland duidelijke verschillen zijn in vruchtbaarheid tussen regio’s en tussen herkomstgroepen.

Zo krijgen Marokkaanse vrouwen van de eerste generatie meer kinderen dan autochtone vrouwen, terwijl westers allochtone vrouwen minder kinderen krijgen. Daarnaast zijn er tussen herkomstgroepen grote verschillen in de leeftijd van de moeder bij de geboorte van de kinderen.

De vruchtbaarheid verschilt ook regionaal. Deze regionale verschillen zijn niet voor alle herkomstgroepen hetzelfde. In Flevoland, Drenthe, Friesland, Overijssel en Zeeland ligt de vruchtbaarheid hoog, terwijl de Randstadprovincies en Groningen juist een lage vruchtbaarheid kennen. De aanwezigheid van streng gereformeerden die traditionele familienormen aanhangen zorgt voor een hoge vruchtbaarheid onder autochtonen in de ‘Biblebelt’ provincies Gelderland, Overijssel en Zeeland.

In provincies met veel asielzoekers uit landen met traditioneel een hoge vruchtbaarheid is de vruchtbaarheid onder overig niet-westerse allochtonen hoger dan in provincies met veel (tijdelijke) arbeidsmigranten. Voor autochtone vrouwen is de relatie tussen vruchtbaarheid en stedelijkheid lineair: hoe stedelijker hun woongemeente, hoe lager de vruchtbaarheid. In de zeer sterk verstedelijkte gemeenten ligt hun vruchtbaarheid veruit het laagst. Dit ligt duidelijk anders voor Surinaamse, Antilliaanse, Turkse en Marokkaanse vrouwen van de eerste generatie. In de zeer sterk stedelijke gemeenten ligt hun vruchtbaarheid zelfs hoger dan in de sterk stedelijke gemeenten.