Verhuiswensen en verhuisgedrag: verschillen tussen herkomstgroepen

15-06-2011 | Publicatie

Vele huishoudens slagen er niet in hun verhuiswensen te realiseren of verhuizen toch terwijl zij dat eerder nog niet van plan waren te doen. Deze discrepantie tussen al dan niet geuite verhuiswensen en daadwerkelijk verhuisgedrag is vooral groot onder niet-westerse allochtonen. Niet-westerse allochtonen realiseren minder vaak hun verhuiswens dan autochtonen, maar verhuizen tegelijkertijd wel vaker 'onverwacht'.

Er zijn verschillende theorieën die de verschillen tussen herkomstgroepen in verhuiswensen en het realiseren van verhuiswensen verklaren. De assimilatietheorie stelt dat verschillen tussen allochtonen en autochtonen worden veroorzaakt door verschillen in persoonlijke kenmerken. Zo slagen allochtonen er minder vaak in te verhuizen, niet omdat ze allochtoon zijn, maar omdat ze bijvoorbeeld een lager inkomen hebben. Wanneer je rekening houdt met deze persoonlijke kenmerken zullen de verschillen tussen herkomstgroepen in verhuisgedrag verdwijnen.

Naast de assimilatietheorie zijn er ook nog twee andere mogelijke theorieën, die de verschillen tussen allochtonen en autochtonen verklaren. De etnisch-culturele preferentietheorie stelt dat allochtonen andere voorkeuren hebben dan autochtonen. De stratificatietheorie stelt dat allochtonen door discriminatie worden belemmerd in hun mogelijkheden. Beide theorieën voorspellen dat de verschillen tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen overeind blijven, ook wanneer rekening gehouden wordt met allerlei persoonlijke kenmerken.

Uit analyses van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) blijkt dat de assimilatietheorie niet opgaat: rekening houdend met demografische en sociaaleconomische verschillen, slagen niet-westerse allochtonen er minder vaak in hun verhuiswens te realiseren dan autochtonen, terwijl zij juist vaker verhuizen wanneer zij eerder nog geen verhuiswens hadden.